Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23.802 - 26-02-2009

Samenvatting

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat de verzoekende partij minderjarig is. De Raad is van oordeel dat de bijna achttienjarige verzoekende partij alleszins over het vereiste onderscheidingsvermogen beschikt. Omdat beslissingen genomen met toepassing van de wetgeving betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen beslissingen zijn die persoonlijke rechten aanbelangen, is het annulatieberoep ingesteld door de verzoekende partij ontvankelijk. De verwerende partij stelt dat de verzoekende partij het vereiste belang ontbeert daar de door haar ingediende vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring gericht zijn tegen het aan de heer D. betekende bevel tot terugbrenging. In casu houdt de bestreden beslissing niet enkel een bevel tot terugbrenging in gericht aan de heer 0., maar tevens ook de motieven van de weigering van verlenging van het attest van immatriculatie van de verzoekende partij. Gelet op de nauwe verbondenheid tussen enerzijds de weigering van verlenging van het attest van immatriculatie en anderzijds het bevel tot terugbrenging - verbondenheid die onder meer blijkt uit het feit dat beide beslissingen gelijktijdig werden genomen en werden opgenomen in één en dezelfde beslissing - dient, in casu, te worden gesteld dat niet zonder meer kan worden gesteld dat de verzoekende partij geen belang heeft bij het aanvechten van de bestreden beslissing, nu haar betoog betrekking heeft op de motieven van de bestreden beslissing waarin de aanvraag tot verlenging van het attest van immatriculatie geweigerd wordt. Bijgevolg getuigt de verzoekende partij van het rechtens vereiste belang, daar de eventuele vernietiging van de bestreden beslissing haar een direct en persoonlijk voordeel verschaft. Uit het administratief dossier blijkt niet de reden van de afgifte van het attest van immatriculatie. Ter terechtzitting kan de verwerende partij dit niet verduidelijken en stelt zij niet te weten opwelke juridische grondslag het attest werd afgeleverd. De Raad bevindt zich dan ook in deonmogelijkheid om na te gaan of het attest van immatriculatie onrechtmatig werd afgeleverd,terwijl hij anderzijds vaststelt dat de onrechtmatige aflevering van het attest als motief werd weerhouden in de bestreden beslissing.Verder blijkt uit de beslissing dat deze eveneens een weigering tot verlenging van het attest van immatriculatie inhoudt. De rechtsgrond hiervan wordt nergens vermeld. Ter terechtzitting kan de verwerende partij het antwoord op de vraag van de Raad naar de rechtsgrond niet verschaffen. Noch uit het decreet inzake bijzondere jeugdbijstand, noch uit Besluit van de Vlaamse regering betreffende de organisatie en de werking van de comités voor bijzondere jeugdzorg blijkt dat de Jeugdrechter of Rechtbank van Eerste Aanleg dient tussen te komen. In elk geval blijkt noch uit de beslissing die ter kennis werd gegeven, noch uit de brief van 14 oktober 2008 op welke rechtsgrond de verwerende partij zich steunt om als voorwaarde te bepalen dat een vonnis dient voorgelegd te worden in de situatie waarin de verzoekende partij zich bevindt. In die mate is de motivering niet afdoend. De Raad stelt vast dat niet blijkt of rekening werd gehouden met het verslag van het Comité voor Bijzondere Jeugdzorg en dat rekening houdend met de elementen in dit verslag, het kennelijk onredelijk is te stellen dat in casu het hoger belang in de hereniging met de ouders bestaat.