Samenvatting
Artikel 7 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat "(... ) de Minister of zijn gemachtigde de vreemdeling die noch gemachtigd noch toegelaten is tot een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk of om er zich te vestigen, bevel (kan) geven het grondgebied voor een bepaalde datum te verlaten (... )". Gelet op de afgifte aan verzoeker van een bijlage 19ter, waarin uitdrukkelijk wordt vermeldt dat hij binnen de vijf maanden zal worden opgeroepen teneinde de beslissing aangaande zijn aanvraag te laten betekenen, kan op het eerste gezicht niet worden aangenomen dat verzoeker niet gemachtigd of toegelaten is, zij het tijdelijk, in het land te verblijven. Derhalve kon op het eerste gezicht geen bevel om het grondgebied te verlaten worden genomen op basis van artikel 7 van de Vreemdelingenwet. Bovendien stelt de Raad vast dat verwerende partij op de hoogte is van enerzijds verzoekers aanvraag van de verblijfskaart en anderzijds van het feit dat verzoeker een gezin vormt met mevrouw Y en haar dochter. De Raad stelt vast dat verwerende partij evenmin rekening heeft gehouden met de gekende elementen in het dossier van verzoeker.