Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 44.835 - 15-06-2010

Samenvatting

Uit de redactie van voormelde artikelen van het KB van 8 oktober 1981 volgt dat de termijn van vijf maanden, zoals verzoekers terecht stellen in het verzoekschrift, wel degelijk een vervaltermijn is, aangezien het verstrijken van de bedoelde termijn het afleveren van een verblijfskaart inhoudt. In het specifieke geval van voormelde artikelen van het KB van 8 oktober 1981 vloeit een positief gevolg voort voor de vreemdeling indien de gemachtigde van de staatssecretaris voor Migratie- en asielbeleid er niet toe komt te beslissen binnen de voorziene termijn, namelijk de toekenning van het recht op verblijf van meer dan drie maanden van de burger van de Unie, respectievelijk het afleveren van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie. De stelling van de verwerende partij dat het de absolute wil is van de wetgever om de uitvoeringsbepalingen van artikel 40 van de Vreemdelingenwet slechts te laten gelden in zoverre is voldaan aan de grondvoorwaarden van gezinshereniging, gaat bijgevolg niet op. De Raad stelt vast de bestreden beslissingen laattijdig werden genomen met overschrijding van de reglementair bepaalde termijn van vijf maanden voorzien in de artikelen 51, § 3 en 52, § 4, tweede lid van het KB van 8 oktober 1981. De schending van artikel 51, § 3 en artikel 52, § 4, tweede lid van het KB van 8 oktober 1981 wordt aangenomen.