Samenvatting
Volgens artikel 62 Vw. en artikelen 2 en 3 van de wet motivering bestuurshandelingen moet de overheid de bestuurde de redenen geven waarmee de beslissing is genomen. De overheid moet in de akte de juridische en feitelijke argumenten op afdoende wijze opnemen. Afdoende betekent dat de motivering evenredig moet zijn aan de beslissing. De verzoekende partij kan niet opmaken uit de bestreden beslissing waarom de gevoerde actie(s) onder de naam Hoop op Papieren (HOP) geen geloofwaardige poging uitmaken in de zin van de instructie van 19 juli 2009. De verzoekende partij voert een schending van de materiële motiveringplicht aan. De RvV is enkel bevoegd om na te gaan of de overheid, met betrekking tot de materiële motiveringsplicht, is uitgegaan van de juiste feitelijk gegevens, deze juist beoordeeld heeft en of zij op grond daarvan geen onredelijk besluit heeft genomen. De verzoekende partij deed een aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9bis Vw. en vraagt toepassing van criterium 2.8A van de instructie van 19 juli 2009. De RvV bevestigt dat de gemachtigde van de minister een ruime discretionaire beoordelingsbevoegdheid heeft maar dat deze grenst aan de redelijkheid. De RvV stelt vast dat het begrip ‘geloofwaardige pogingen’ in de instructie niet verduidelijkt wordt. De verzoekende partij heeft stukken bijgevoegd om aan te tonen dat zij effectief in 2006 deel heeft genomen aan HOP. De deelname aan de HOP maakt volgens haar een geloofwaardige poging uit. De verwerende partij acht dat er noch een periode van wettig verblijf was voor 18 maart 2008 noch dat voor deze datum geloofwaardige pogingen zijn ondernomen om wettig verblijf te krijgen. Volgens haar is de deelname aan HOP geen geloofwaardige poging en diende zij ‘verdere stappen’ te ondernemen. Deze verdere stappen worden niet gepreciseerd. Bij de beoordeling van het criterium ‘geloofwaardige pogingen heeft ondernomen om in België een wettig verblijf te bekomen’ zoals vermeld in de instructie van 19