Samenvatting
Overwegende dat de vertegenwoordiger in België van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen op 17 februari 2009 inderdaad een brief aan de verantwoordelijke van de directie Asiel van de dienst Vreemdelingenzaken heeft gericht, die te dezen niet relevant is; Overwegende dat diezelfde vertegenwoordiger daarnaast op 2 april 2009 ook een brief aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft gestuurd, die op 3 april 2009 door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen werd ontvangen en bij het rechtsplegingsdossier van de verzoekende partij werd gevoegd; dat in die brief uitdrukkelijk wordt gesteld dat ermee wordt beoogd “op basis van artikel 57/23bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, een advies te verstrekken betreffende de weigering tot in overwegingname van de asielaanvraag van de heer AKBARI”; dat die brief niet enkel bij het rechtsplegingsdossier moet worden gevoegd, maar dat er ook, zoals uit de laatste zin van artikel 9 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt, een kopie van aan de betrokken vreemdeling moet worden meegedeeld zodat deze er zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nuttig op zou kunnen beroepen; Overwegende dat uit het rechtsplegingsdossier niet blijkt dat een kopie van de voornoemde brief van 3 april 2009 naar de verzoekende partij zou zijn gestuurd of op een andere manier ter kennis van de verzoekende partij zou zijn gebracht; dat artikel 9 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aldus is geschonden en dat het tweede middel gegrond is.