Samenvatting
Verzoeker stelt dat niet alleen moet worden uitgegaan van de datum van zijn huwelijk of aanvraag voor de toepassing van artikel 42quater, § 4, 1° Vreemdelingenwet maar dat ook moet worden gekeken naar de aanvang van de gezamenlijke vestiging tussen hem en zijn inmiddels ex- echtgenote. Verzoeker benadrukt dat voormeld artikel het woord "of" gebruikt en dat niet gespecifiëerd wordt "naargelang het geval" of iets dergelijks. Artikel 42quater § 4 Vreemdelingenwet lijkt door het gebruik van het woord "of' inderdaad aan te geven dat wanneer de begunstigde van een verblijfsrecht zich in één van de drie gevallen bevindt er geen einde kan worden gesteld aan zijn verblijfsrecht. In tegenstelling tot § 1 van voormeld artikel wordt niet gepreciseerd dat de termijn van drie jaar berekend dient te worden vanaf het verblijf in de hoedanigheid van een burger van de Unie. De enige voorwaarde is dat de gezamenlijke vestiging ten minste drie jaar heeft geduurd waarvan ten minste één jaar in het Rijk. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoeker ruimschoots aan deze voorwaarde voldoet.