Samenvatting
De aanvraag tot schorsing bij voorraad wegens uiterst dringende noodzakelijkheid bestaat om te verhinderen dat de gewone schorsing en het beroep tot nietigverklaring hun doel missen. De aanvraag tot schorsing moet een feitenrelaas bevatten dat ‘uiterst noodzakelijke dringendheid’ rechtvaardigt. De uiterst dringende noodzakelijkheid moet duidelijk vaststaan. Zij moet manifest zijn en op het eerste gezicht onbetwistbaar. De aangebrachte feiten moeten dus ingeroepen worden of blijken uit de aanvraag of in het administratief dossier zitten. Deze moeten rechtstreeks aantonen dat de schorsing slechts nuttig is, indien deze onmiddellijk ingaat. Volgens de vaste rechtspraak van het EHRM mag het ontbreken van een feitenrelaas genegeerd worden als deze eis een hinderpaal betekent die de toegang tot de rechtbank beperkt voor zover het raakt aan het recht op toegang tot een rechter. De verweerder betwist de uiterst noodzakelijke dringendheid niet. De vrijheid van de verzoeker is ontnomen in afwachting van zijn verwijdering. De verwijderingmaatregel is imminent. Het staat vast dat de schorsing van de tenuitvoerlegging via de gewone schorsingsprocedure te laat en niet meer effectief zal zijn. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan. De tweede voorwaarde is dat men zich beroept op een ‘ernstig middel’. Onder ‘middel’ verstaan we een voldoende duidelijke beschrijving van de geschonden rechtsregel en de manier waarop die rechtsregel geschonden wordt. Om ‘ernstig’ te zijn, is het voldoende dat het middel op het eerste gezicht en gelet op de omstandigheden ontvankelijk en gegrond zou kunnen zijn. Als op basis van de uiteenzetting van de middelen ieder redelijk persoon duidelijk kan zien dat de verzoekers een schending van een bepaling van het EVRM heeft willen inroepen, kan een niet correcte of foute vermelding van deze bepaling de Raad niet verhinderen om toch de klacht te appreciëren.Op basis van artikel 13 EVRM moet de Raad een onafhankelijk en grondig onderzoek doen over elke klac