Samenvatting
In bepaalde gevallen kunnen er redenen zijn waarom een persoon niet terug kan of wil keren naar het mandaatgebied, bijvoorbeeld als de overheid van dat land hem de terugkeer weigert. De verwerende partij heeft een gedegen en actueel onderzoek gedaan naar de mogelijkheid van Palestijnse vluchtelingen om naar hun land van gewoonlijk verblijf, Libanon, terug te keren. Uit de informatie bij de verweernota en voornamelijk uit de ‘Subject Related Briefing: “Libanon: Terugkeermogelijkheden van bij UNRWA geregistreerde Palestijnen naar Libanon” van 29 april 2011’ blijkt dat de Libanese overheid reisdocumenten uitreikt die Palestijnen in staat stellen om te reizen. Palestijnse vluchtelingen die geregistreerd zijn bij UNRWA en bij DAPR krijg reisdocumenten die om de vijf jaar kunnen worden hernieuwd. Verder blijkt dat men voor het bekomen van de benodigde reisdocumenten beroep kan doen op de Libanese ambassade in Brussel. Verzoekster beschikt over een UNRWA-registratiekaart, een Palestijnse vluchtelingenkaart. Verder blijkt dat zij reisde met een Palestijns paspoort dat echter door de reisagent beslag zou zijn genomen. Verzoekster maakt niet aannemelijk dat er obstakels zijn die haar zouden verhinderen naar Libanon terug te keren en zich daar opnieuw onder de bescherming te plaatsen en bijstand te genieten van UNRWA. De Raad ziet geen enkel obstakel dat verzoekster verhindert terug te keren naar Libanon. Zij heeft geen elementen aangebracht die er op kunnen wijzen dat zij in Libanon vervolging in vluchtelingrechtelijke zin riskeert. Volgens rechtspraak van het EHRM ligt de bewijslast van het ernstig en reëel risico bij de verzoeker. Een blote bewering of een eenvoudige vrees voor een onmenselijke behandeling op zich volstaat niet om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. Om van een schending te spreken moet de slechte behandeling een ‘minimum level of severity’ bereikt hebben, waarvan de beoordeling afhankelijk is van alle omstandigheden van de zaak. Een loutere mogelijkheid op mishandelingen als gevolg van de onzekere situatie in een land, kan op zich geen aanleiding geven tot een schending. Vastgesteld wordt dat het gezin in haar land van gewoonlijk verblijf nooit enig probleem kende met de Libanese overheid. De vluchtelingenstatus wordt geweigerd. De subsidiaire bescherming wordt geweigerd.