Samenvatting
Uit artikel 42bis, § 2, 4° Vw. volgt dat een EU-onderdaan die op grond van artikel 40, § 4, eerste lid, 1° Vw. een verblijfsrecht heeft erkend gezien als werknemer, dit verblijfsrecht kan behouden als hij start met een beroepsopleiding, ook al is hij geen werknemer meer. Het betreft hier een beslissing die de verwerende partij treft over het hoofd heen van de verzoeker die geniet van een verblijfsrecht. Een einde te stellen aan het verblijfsrecht is een ingrijpende beslissing. Bovendien voorziet artikel 42bis, § 2 Vw. specifieke uitzonderingssituaties die een EU-onderdaan toelaten verder te genieten van het verblijfsrecht dat hij gekregen heeft op grond van artikel 40, § 4, eerste lid, 1° Vw., ook al is hij niet meer aan de slag als werknemer. Het is de taak van de verwerende partij om zich te laten inlichten en te laten nagaan of verzoeker in aanmerking komt voor de specifieke uitzonderingssituaties in artikel 42bis, § 2 , 4° Vw. en of hij de daarin gestelde voorwaarden vervult. Uit stuk 7 gevoegd bij het verzoekschrift blijkt dat de verzoeker een beroepsopleiding gevolgd heeft. Het toelaten dat stukken die voor het eerst bij het verzoekschrift worden gevoegd in de debatten worden betrokken, is gerechtvaardigd in het geval dat de administratieve overheid een administratieve rechtshandeling neemt op eigen initiatief m.a.w. zonder dat de verzoekende partij erom gevraagd heeft?. De verwerende partij is onzorgvuldig geweest en had informatie moeten inwinnen over de situatie van de verzoeker in het licht van de toepassing van artikel 42bis, § 2, 4° Vw. De zorgvuldigheidsplicht is geschonden want de beslissing steunt niet op deugdelijke feitenvergaring.