Samenvatting
De poging tot onderhandeling met de tegenpartij is mislukt. Het kan aangenomen worden dat een beroep op de gewone procedure niet toelaat om binnen een nuttige termijn een einde te maken aan het nadeel dat veroorzaakt wordt door de bestreden beslissing. De argumenten ter zake bevestigen de imminentie van het gevaar door aan te tonen waarom de gewone schorsingsprocedure niet zou volstaan om efficiënt de ernstige schade beweerd door de verzoekers te voorkomen. Deze schade bestaat enerzijds uit de mogelijkheid van herval van de minderjarige dochter van de eerste verzoekster en anderzijds in de noodzaak van de nabijheid van deze laatste bij haar dochter. Als het waar is dat de verzoekers relatief lang verwijderd zijn gebleven van hun dochter en zus, is het toch zo dat zij hebben geprobeerd om terug naar België te komen tijdens deze periode. Anderzijds blijkt uit een brief van een specialist nefrologische pediatrie van 21 oktober 2011 dat er aanwijzingen zijn van een verminderde nierfunctie van de dochter en zus van de verzoekers. Volgens een certificaat van 17 november 2011 leed deze laatste opnieuw aan een “secundaire tubulopathie ten gevolge van chemotherapie, een gewichtprobleem en hoge cholesterol”. Het wordt vastgesteld dat men haar op moet volgen om een eventueel herval te kunnen opmerken. Deze aanwijzingen maken mogelijk om te begrijpen waarom de verzoekers niet via de gewone procedure gaan. De dringende noodzakelijkheid is aangetoond. De verzoekers laten gelden dat de afwezigheid van de eerste verzoekster bij haar dochter de gezondheid en het herstel van deze laatste compromitteert. Uit de aanvraag en het administratief dossier blijkt dat de dochter en zus van de verzoekers een amputatie van het been moest ondergaan en lijdt aan bilaterale doofheid ten gevolge van botkanker. Het bestaan van een gezinsleven bij echtgenoten en bij een ouder en zijn kind wordt vermoed. Het huwelijk tussen de eerste verzoekster en haar echtgenoot en het moederschap ten aanzien van de tweede verzoeker en haar dochter die in België bleef, wordt niet tegengesproken. Zo ook staat vast dat de echtgenoot en de dochter een verblijfstitel hebben die hen toelaat om in België te verblijven. Een gezinsleven tussen de verzoekers en de echtgenoot en vader en hun dochter en zus moet prima facie als bestaande worden beschouwd. De tijdelijke scheiding van de gezinscel was een gevolg van omstandigheden die volledig onafhankelijk waren van de wil van het gezin. Deze scheiding werd opgedrongen door gebeurtenissen waarop de verzoekers geen enkel grip hadden. Het is zelfs zo dat de eerste verzoekster een verblijfsrecht kon krijgen op het zelfde moment dat haar partner en dochter een verblijfrecht hebben gekregen maar dat zij het grondgebied heeft moeten verlaten omwille van haar jongste zoon, die alleen in Marokko was achtergebleven. Het kan dus niet aan de verzoekers verweten worden dat zij definitief hebben willen scheiden. De weigeringsbeslissing is enkel gemotiveerd met betrekking tot de omstandigheid dat het werk van de vader niet voldoende stabiele en regelmatige inkomsten. Nergens blijkt uit de bestreden beslissing of het administratief dossier dat er een belangenafweging gebeurd is met betrekking tot de actuele gezinssituatie en of men onderzocht heeft of er belemmeringen voor de ontwikkeling of het hebben van een normaal en effectief gezinsleven bestaan elders dan op het Belgisch grondgebied. De verwerende partij heeft nagelaten een zo nauwkeurig mogelijk onderzoek van de zaak te doen in functie van de omstandigheden waarvan zij kennis had of moest hebben. De ingeroepen schending van artikel 8 EVRM is ernstig. Elk redelijk persoon kan onmiddellijk vaststellen dat de verzoekers een ernstig moeilijk te herstellen nadeel riskeren te ondervinden als de bestreden beslissing wordt uitgevoerd. Het is voldoende duidelijk dat hun gezinsleven ernstig verstoord zal worden. Deze schade betekent een niet gerechtvaardigde aanslag op hun gezinsleven en de ernst en het moeilijk te herstellen karakter ervan liggen voor de hand. Aan de voorwaarden voor de schorsing is voldaan. Alhoewel dit vereist wordt in artikel 44, 4° PR RvV verduidelijkt het beroep niet waarom de gevraagde voorlopige maatregelen nodig zijn om de belangen van de verzoekende partij veilig te stellen. De omstandigheden van de zaak zijn zo dat elk redelijk persoon onmiddellijk inziet dat het gaat om de bescherming van het recht op het hebben van een gezinsleven terwijl de medische toestand van een van de gezinsleden deze persoon zeer afhankelijk maakt van haar familie en zij een grote nood heeft aan de aanwezigheid en samenhang van dit gezin. De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt bevolen. De verwerende partij moet een nieuwe beslissing nemen en kennis geven hiervan binnen de vijf dagen na kennisgeving van dit arrest.