Samenvatting
De verzoekende partij is van haar vrijheid beroofd met het oog op verwijdering. De effectieve uitvoering van de beslissing tot terugdrijving is voorzien op 20 november 2011. Het staat vast dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en derhalve ook niet effectief zal zijn. De verzoekende partij verduidelijkt in haar verzoekschrift dat zij onbetwistbaar gehuwd is met een Belgische onderdaan, dat zij in België leeft, woont en werkt, dat zij sociale zekerheid en belastingen betaalt en bijdraagt tot de maatschappij. Zij is sedert 1996 toegelaten tot een verblijf van onbeperkte duur. Er zijn geen indicaties waaruit kan afgeleid worden dat zij sedertdien het Belgische grondgebied voor een lange tijd zou hebben verlaten. De verzoekende partij verblijft dus reeds 15 jaar in België. Het wordt niet betwist dat zij in deze lange periode sociale relaties in België heeft aangeknoopt en het centrum van haar belangen hier heeft gevestigd. De verzoekster onderbouwt haar stelling trouwens met een huwelijksakte en bewijzen van tewerkstelling waaronder een contract van onbepaalde duur. Dat de verzoekende partij feitelijk gescheiden leeft van haar echtgenoot doet geen afbreuk aan deze vaststelling. Bovendien staat het vast dat zij nog enige relatie heeft met haar echtgenoot aangezien deze bereid was om medicatie voor de verzoekende partij naar de plaats te brengen waar zij wordt vastgehouden. Hieruit kan men afleiden dat de bestreden beslissing een inmenging is in het privéleven van de verzoekende partij. Vermits deze inmenging een weigering van een voortgezet verblijf betreft moet artikel 8 EVRM in overweging genomen worden. Prima facie blijkt niet dat de wettelijke basis van de bestreden beslissing in vraag kan gesteld worden. De verzoekende partij verwijst naar de artikelen 40 en 40bis Vw. en naar het arrest BRAX (HvJ 25 juli 2002, C-459/99, BRAX/België) om te stellen dat zij vrijgesteld is van de verplichting om geldige binnenkomstdocumenten te hebben. Ze is echter geen unieburger. Ze had niet de bedoeling haar echtgenoot te vervoegen. De aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie heeft betrekking op de toepassing van het gemeenschapsrecht en er blijkt niet dat het gemeenschapsrecht in de voorliggende zaak van toepassing is. Om de noodzakelijkheid van de beslissing na te gaan, moet men een evenredigheidstoets doen. De RvV moet aan de hand van de bestreden beslissing kunnen onderzoeken dat de administratieve overheid heeft afgewogen of er een evenwicht bestaat tussen de belangen van de verzoekende partij en de belangen van de Belgische staat. Noch uit de voorgelegde stukken, noch uit de motivering van de beslissing blijkt dat zo’n afweging op een ernstige wijze is gebeurd. Op basis van alle inlichtingen die de verwerende partij had gekregen, mocht verwacht worden dat dit nauwgezet zou gebeuren. Evenmin blijkt uit de nota met opmerkingen of de toelichting ter terechtzetting dat deze afweging gemaakt is. De bestreden beslissing houdt een onevenredige inmenging in het privéleven van de verzoekende partij in. De aangevoerde schending van artikel 8 EVRM is ernstig. De bestreden beslissing heeft tot gevolg dat zij zal worden verwijderd van het grondgebied. De verzoekende partij heeft reeds vele jaren een verblijfsrecht en haar rechten, waaronder het recht op privé- en gezinsleven, dreigen door de verwijdering ernstig verstoord te worden. Zij verwijst hierbij naar de aanwezigheid van haar echtgenoot in België en de verplichtingen die voortvloeien uit haar arbeidsovereenkomst. Verder heeft zij een medisch probleem en moet zij in België een chirurgische ingreep ondergaan.Ieder redelijk denkend mens ziet onmiddellijk in dat de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te ondergaan. Het is zonder meer duidelijk dat haar privéleven ernstig verstoord dreigt te worden. De bestreden beslissing is een onevenredige ingreep in haar privéleven die evident ernstig en moeilijk te herstellen is. De schorsing bij uiterste dringende noodzakelijkheid wordt bevolen.