Samenvatting
Om ontvankelijk te zijn, moet een beroep gericht zijn tegen een uitvoerbare beslissing. Een uitvoerbare beslissing is de handeling waarbij rechtsgevolgen in het leven worden geroepen of worden belet tot stand te komen. De handeling moet met andere woorden wijzigingen aanbrengen in een bestaande rechtsregeling of rechtstoestand, dan wel zodanige wijzigingen beletten. De verwerende partij weigerde opnieuw om de visumaanvraag op grond van artikel 10 van de vreemdelingenwet in overweging te nemen. Zij legde daarmee het laatste arrest van de Raad van 4 december 2012, dat gezag van gewijsde gekregen heeft, naast zich neer. Zo zou de bestreden beslissing een handeling zijn waarbij rechtsgevolgen belet worden tot stand te komen en een wijziging in de rechtstoestand verhinderd wordt. De verzoekende partijen gaan echter geheel voorbij aan de in beschikking van 18 februari 2013 aangevoerde grond betreffende het door hen ingestelde beroep. In voormelde beschikking van 18 februari 2013 werd er immers uitdrukkelijk op gewezen dat het door de verzoekende partijen als bestreden beslissing aangeduide schrijven een e-mail van een attaché van de Dienst Vreemdelingenzaken gericht aan de advocaat van de verzoekende partijen betreft en dat dit schrijven hoogstens beschouwd kan worden als een intentieverklaring, maar op zich geen uitvoerbare rechtshandeling uitmaakt. In voormelde beschikking wordt er evenzeer op gewezen dat de desbetreffende visumaanvraag nog steeds hangende is. De verzoekende partijen maken met hun blote betoog ter terechtzitting niet aannemelijk dat "de verwerende partij opnieuw geweigerd heeft de visumaanvraag op grond van artikel 10 van de vreemdelingenwet in overweging te nemen en deze laatste het arrest van de Raad van 4 december 2012, dat gezag van gewijsde gekregen heeft, naast zich neer heeft gelegd", dan wel dat reeds een beslissing omtrent de visumaanvraag gezinshereniging werd genomen, laat staan dat desbetreffende. beslissing bij het door hen als bestreden beslissing aangewezen schrijven van 12 december 2012 werd genomen. Er wordt opgemerkt dat zij de bestreden beslissing in hun verzoekschrift zelf als volgt omschrijven: "beslissing tot weigering van visum gezinshereniging dd. 12.12.2012, niet officieel ter kennis gesteld aan verzoekers, doch per e-mailbericht van 12.12.2012 ter kennis gesteld aan de raadsman van verzoekers". Eén en ander klemt des te meer daar uit voornoemd elektronisch bericht uitdrukkelijk blijkt dat "De aanvraag tot het bekomen van een visum D van betrokkene en kind zal worden onderzocht (. ..)", dat "(...) het dossier overgemaakt te worden van de dienst Gezinsherenigingnaar de dienst Lang Verblijf' en wordt eveneens het volgende aangegeven: "Gezien ik de hele aanvraag opnieuw zal moeten onderzoeken (.. .), kan ik onmogelijk een precieze behandelingstermijn te geven. Ik doe mijn best om voor einde februari 2013 een beslissing te nemen." Het (elektronisch) schrijven van 12 december 2012 omschreven als de "beslissing tot weigering van visum gezinshereniging dd. 12.12.2012, niet officieel ter kennis gesteld aan verzoekers, doch per e-mailbericht van 12.12.2012 ter kennis gesteld aan de raadsman van verzoekers", is slechts het loutere gevolg van een verzoek van de raadsman om, rekening houdend met arrest nr. 92.932 van 4 december 2012, te willen bevestigen dat instructie zal worden gegeven een visum gezinshereniging af te leveren. Voormeld (elektronisch) schrijven van 12 december 2012 doet dus geen rechtsgevolgen ontstaan. Het belet ook niet de totstandkoming ervan en het is geen uitvoerbare beslissing. Het beroep tegen de "beslissing" van de gemachtigde van de staatssecretaris voor Asiel en Migratie, Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding "tot weigering van visum gezinshereniging dd. 12.12.2012, niet officieel ter kennis gesteld aan verzoekers, doch per e-mailbericht van 12.12.2012 ter kennis gesteld aan de raadsman van verzoekers" is niet ontvankelijk.