Samenvatting
De eerste bestreden beslissing verklaart de aanvraag om machtiging lot verblijf op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet onontvankelijk. In dit geval is dus de vraag aan de orde of de verwerende partij genoegzaam kon oordelen dat verzoekers niet afdoende aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen onmogelijk, dan wel bijzonder moeilijk is om hun aanvraag te doen vanuit hun land van oorsprong of het land waar zij gemachtigd zijn te verblijven.
Verzoekers voelen zich onder meer gegriefd door het feit dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat zij in hun aanvraag verwijzen naar hun medische problematiek, maar dat de aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9ter ongegrond werd verklaard op 8 maart 2012 zodat het aangehaalde element niet langer een buitengewone omstandigheid vormt die betrokkenen verhindert de aanvraag via de gewone procedure in te dienen. Zij stellen dat het beroep tegen deze beslissing nog hangende is en er bij die beslissing geen bevel om het grondgebied te verlaten werd betekend.
Uit de bewoordingen van het aangehaalde weigeringsmotief blijkt dat de verwerende partij van oordeel is dat de medische problematiek waarnaar verzoekers hadden verwezen in hun aanvraag wel degelijk een buitengewone omstandigheid kan uitmaken maar dat dit niet langer het geval was nu over hun aanvraag tot medische regularisatie op grond van artikel 9ter een negatieve beslissing werd genomen. Evenwel heeft de Raad deze beslissing, die dateert van 8 maart 2012, met het arrest nr. 110.205 van 19 september 2013 vernietigd, zodat zij moet worden geacht nooit in hel rechtsverkeer aanwezig te zijn geweest. Het past derhalve om op grond van deze vaststellingen de eerste bestredenbeslissing te vernietigen.