Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 117.991 - 30-01-2014

Samenvatting

De Raad merkt naar aanleiding van dit verweer op dat het, gelet op de handelingsonbekwaamheid van minderjarigen, geen verwondering hoeft te wekken dat de verzoekster de afgelegde verklaringen zelf ondertekende. Het kan verzoekster bezwaarlijk worden verweten dat zij dit deed "in haar eigen hoedanigheid", terwijl uit het geheel van de neergelegde stukken kan worden afgeleid dat het haar bedoeling was om een eerste asielaanvraag in te dienen in naam van haar minderjarige dochter. De Raad stipt verder aan dat het feit dat haar dochter reeds geboren was op het ogenblik dat verzoekster haar eerste asielaanvraag indiende, niet betekent dat er ook noodzakelijkerwijs een asielaanvraag in naam van die dochter werd ingediend. Zoals verzoekster zelf stelt in haar synthesememorie, werd de dochter "niet betrokken in het gehoor bij het CGVS en was (zij) evenmin partij in de beroepsprocedure in volle rechtsmacht (...)". Met betrekking tot de aangehaalde zaak (ct. RvV 23 september 2013, nr. 110.319), dient te worden vastgesteld dat de beschikking die op grond van artikel 39/73, §2 van de vreemdelingenwet werd opgemaakt op 12 augustus 2013 hoofdzakelijk gestoeld was op het feit dat er nooit een onderzoek gevoerd werd in hoofde van de dochter, waardoor de aanvraag in haren hoofde niet als een tweede asielaanvraag kon worden beschouwd. In tegenstelling tot wat de verwerende partij beweert, bestaan er wel degelijk parallellen lussen de aangehaalde zaak en onderhavig geval. Verzoekster kan dus gevolgd worden waar zij poneert dat er in hoofde van haar dochter wel degelijk sprake is van een eerste asielaanvraag.
Daargelaten de vraag of de vrees voor besnijdenis van haar kind als een nieuw gegeven moet worden beschouwd in het kader van de tweede asielaanvraag van verzoekster, heeft de gemachtigde van de staatssecretaris (oud) artikel 51/8 van de Vreemdelingenwet miskend door een wetsartikel toe te passen op de eerste asielaanvraag van haar dochter, terwijl deze laatste nooit 'voorheen reeds dezelfde aanvraag heeft ingediend", zoals vermeld in (oud) artikel 51/8 van de vreemdelingenwet. De bevoegdheid van de gemachtigde van de staatssecretaris die voortvloeit uit (oud) artikel 51/8 Vw. is immers beperkt tot vreemdelingen die reeds eerder een asielaanvraag indienden, hetgeen voor de dochter van verzoekster niet het geval is.
De (eerste) asielaanvraag in hoofde van de dochter van verzoekster zal- in de huidige stand van de wetgeving - hel voorwerp uitmaken van een onderzoek door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De bevelscomponent waarmee de bestreden beslissing gepaard gaat en die gestoeld is op (oud) artikel 71/5 Vw. verliest zijn grondslag waardoor deze eveneens moet worden vernietigd.