Samenvatting
Het arrest van het GwH, nr. 1/2014 van 16 januarl 2014 stelt in de overweging “B.10.6. De beslissing tot niet-inoverwegingneming van de asielaanvraag die is ingediend door een uit een veilig land afkomstige asielzoeker houdt effectief de verwerping van de asielaanvraag in en valt bijgevolg onder de categorie van beslissingen waartegen een daadwerkelijk beroep moet openstaan”.
In casu betreft het een niet-inoverwegingneming van een meervoudige asielaanvraag. Gelet op de overweging B.10.7. van hogervermeld arrest van het GwH “Het recht op een daadwerkelijk beroep erkend bij artikel 47 van het Handvest moet, met toepassing van artikel 52, lid 3, ervan, worden gedefinieerd met verwijzing naar de betekenis en de draagwijdte die het Europees Verdrag voor de rechten van de mens eraan geeft. Het veronderstelt bijgevolg eveneens dat het beroep schorsend is en een strikt en volledig onderzoek van de grieven van de verzoekers door een autoriteit met een bevoegdheid met volle rechtsmacht mogelijk maakt. Het recht op een daadwerkelijk beroep zoals gewaarborgd in het asielcontentieux bij artikel 39 van de voormelde richtlijn is overigens niet van toepassing op de maatregel tot verwijdering van het grondgebied, maar wel op de beslissing tot verwerping van de asielaanvraag. Hieruit vloeit voort dat het een onderzoek veronderstelt, niet alleen van de grief afgeleid uit het risico van schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in geval van uitzetting van de verzoeker naar een land waar dat risico bestaat, maar eveneens van de grieven afgeleid uit de schending van de bepalingen met betrekking tot de toekenning van de status van vluchteling of van de subsidiaire bescherming”, dient de Raad vast te stellen dat verzoeker aan daadwerkelijk beroep wordt ontzegd in strijd met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.
Bovendien betreft het in casu de verwijdering naar het land van oorsprong van de asielzoeker. In tegenstelling tot wat door de verwerende partij wordt gesteld, dient wel degelijk nagegaan te worden of er sprake kan zijn van een schending van artikel 3 EVRM en of het beginsel van non-refoulement niet geschonden werd. Prima facie kan dan ook niet blijken dat een onderzoek laat slaan rigoureus onderzoek, werd gevoerd.