Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 124.322 - 25-06-2014

Samenvatting

Daargelaten de vraag of de gemachtigde op al deze elementen afzonderlijk diende te antwoorden in de bestreden beslissing, blijkt in elk geval dat de gemachtigde voorbij is gegaan aan een belangrijk en relevant element uit de aanvraag van 8 oktober 2013 heeft. Met name blijkt noch uit de bestreden beslissing, noch uit de overige stukken van het administratief dossier, dat de gemachtigde heeft onderzocht of het niet-betwiste gegeven dat uit het onderzoek van Actiris naar voor is gekomen dat er op de arbeidsmarkt niemand kon gevonden worden die aan de job omschrijving beantwoordt, met mogelijks negatieve gevolgen van dien voor de gezondheidstoestand van de werkgever al dan niet een buitengewone omstandigheid uitmaakt die de verzoekers verhindert om de aanvraag conform artikel 9 van de Vreemdelingenwet in te dienen via de Belgische diplomatieke post in het buitenland. Er dient tevens op te worden gewezen dat de verzoekers in duidelijke bewoordingen in hun aanvraag om machtiging tot verblijf dit gegeven hebben aangehaald als buitengewone omstandigheid, t.t.z. om te verantwoorden dat zij hun aanvraag in België en niet via de reguliere weg van artikel 9 van de Vreemdelingenwet en dat dit gegeven een cruciaal element uitmaakte in de nieuwe aanvraag van de verzoekers. Het onderzoek van de gemachtigde is derhalve onvolledig en kennelijk onzorgvuldig. De verzoekers voeren dan ook terecht de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht.
De Raad kan de verzoekers volgen in hun standpunt dat het kennelijk onredelijk is om te stellen dat de verzoekers een visum type D kunnen aanvragen terwijl hen een inreisverbod van drie jaar werd betekend. Gelet op het bepaalde in de artikelen 1, 8° en 74/11, § 3 van de Vreemdelingenwet, kan een aanvraag in toepassing van artikel 9 van de Vreemdelingenwet of een aanvraag tot het verkrijgen van een visum type D dan ook in de regel niet worden ingewilligd wanneer de aanvrager onder een geldend inreisverbod valt.
De Raad is dan ook samen met de verzoekers van oordeel dat het elke redelijkheid te buiten gaat om te stellen dat de verzoekers op grond van de arbeidskaart B een aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9 van de Vreemdelingenwet dan wel een visum type D kunnen aanvragen via de diplomatieke post in het buitenland terwijl blijkt en buiten betwisting staat dat zij op dat moment allebei het voorwerp uitmaakten van een geldend inreisverbod van drie jaar waardoor de terugkeer en/of de toekenning van de verblijfsmachtiging verhinderd wordt. Een schending van het redelijkheidsbeginsel is dan ook aannemelijk gemaakt.