Samenvatting
Verzoekster werd op 12 augustus 2013 gehoord over de asielaanvraag van haar kinderen, hetgeen werd aangekondigd in het schrijven van het CGVS van 3 juni 2013. Het is dan ook redelijk te veronderstellen dat verzoekster zich op het CGVS heeft aangeboden om gehoord te worden over haar kinderen.
Immers uit de bewoordingen van de oproeping van 12 juli 2013 kon verzoekster niet veronderstellen dat zij zou gehoord worden over haar eigen vluchtelingenstatus. Evenmin kon ze hieruit afleiden dat ook haar eigen vluchtelingenstatus in vraag werd gesteld nu de oproeping niet vermeldde dat de CGVS haar recht om aanspraak te maken op de vluchtelingenstatus heroverweegt, noch de redenen voor deze heroverweging in de zin van artikelen 35/1 en 35/3 van het KB van 11 juli 2003.
Daaraan kan nog worden toegevoegd dat verzoekster ook tijdens het gehoor niet uitdrukkelijk werd gemeld wat de bedoeling was van haar interview. Integendeel, het gehoor vangt aan met “In het kader van uw vraag tot erkenning van uw kinderen als vluchteling willen wij nog enkele bijkomende vragen stellen? Wij hebben enkele bedenkingen over uw persoonlijke asieldossier?” waaruit verzoekster bezwaarlijk kon afleiden dat haar vluchtelingenstatus kon worden ingetrokken. Ook wanneer verzoekster zelf opmerkte “we deden reeds het gehoor, doe je het opnieuw”, antwoordde de dossierbehandelaar “ja, u werd persoonlijk opnieuw opgeroepen omdat er vragen zijn betreffende uw asieldossier” zonder te vermelden dat de vluchtelingenstatus wordt heroverwogen.
In tegenstelling tot wat de verweernota stelt, kan geenszins worden vastgesteld dat verzoekster duidelijk werd geconfronteerd met de huwelijksakte die strijdig zou zijn met haar verklaringen en de basis zou vormen van de heroverweging van haar vluchtelingenstatus. Immers pas helemaal op het eind van het CGVS-verhoor wordt deze huwelijksakte gemeld zonder enige toelichting. Integendeel, meteen worden de namen van de landen gevraagd die grenzen aan Somalië, vraagt men of verzoekster nog iets wenst toe te voegen aan het relaas en sluit men af met “Wij twijfelen aan uw Somalische nationaliteit en daarom stellen wij u deze vragen” waarop verzoekster vraagt “Waar heeft u deze informatie vandaan, wat heeft u dan precies gevonden” en “zal de beslissing voor mij of voor mijn kinderen” zijn.
In strijd met hogervermelde artikelen 35/1 en 35/3 van het KB van 11 juli 2003 inzake de rechtspleging voor het CGVS kan noch uit de oproeping tot gehoor - die het weze herhaald, in het kader van de asielaanvraag van haar minderjarige kinderen werd gestuurd -, noch uit het eigenlijke gehoor van eerste verzoekster blijken dat zij het doel van dit verhoor heeft vermoed, laat staan dat de redenen voor deze heroverweging haar bekend werden gemaakt. De bestreden beslissing is aldus aangetast door een substantiële onregelmatigheid die door de Raad niet kan worden hersteld. Gelet op artikel 39/2, § 1, tweede lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen dient de bestreden beslissing van eerste verzoekster dan ook te worden vernietigd.