Samenvatting
De zaak T.B. betrof de afwijzing van een verzoek tot toekenning van een verblijfvergunning met het oog op gezinshereniging met T.B. ingediend door zijn zus bij de bevoegde Hongaarse autoriteit. Hoewel T.B. reeds de vluchtelingenstatus had toegekend gekregen, werd het verzoek geweigerd wegens het aanleveren van onjuiste informatie en het gebrek aan bewijzen dat zij niet in staat was om zelf te voorzien in haar levensonderhoud omwille van gezondheidsredenen. De verwijzende rechter, waarbij het beroep werd ingesteld door T.B., betwijfelde de verenigbaarheid met het EU-recht van de nationale regeling op grond waarvan een verzoek tot gezinshereniging wordt toegekend wanneer de broer of zus kan aantonen dat zij wegens hun gezondheidstoestand niet in staat zijn om zelf te voorzien in hun levensonderhoud. Artikel 10, lid 2, Richtlijn 2003/86 bepaalt immers dat de EU-lidstaten de gezinshereniging met de gezinsleden van een vluchteling kunnen toestaan mits zij ten laste komen van deze vluchteling. Bijgevolg richt de verwijzende rechter zich tot het Hof van Justitie om helderheid te scheppen over de uitlegging van artikel 10, lid 2, Richtlijn 2003/86.
Het Hof van Justitie oordeelde eerst over de ontvankelijkheid van deze zaak, aangezien dit in twijfel werd getrokken door de Hongaarse overheid. Het Hof van Justitie herinnert echter de vaststaande rechtspraak op grond waarvan de vragen gesteld door de nationale rechter vermoed worden relevant te zijn. Bijgevolg moeten de vragen worden onderzocht in het licht van de uitlegging die de nationale rechter aan het recht heeft gegeven.
Vervolgens diende het Hof van Justitie overeenkomstig de prejudiciële verwijzing artikel 10, lid 2, Richtlijn 2003/86 te interpreteren. Wat betreft het recht op gezinshereniging voor derdelanders voortvloeiend uit Richtlijn 2003/86, beklemtoont het Hof van Justitie dat de richtlijn gunstigere voorwaarden neerlegt voor vluchtelingen. Hoewel artikel 10, lid 2, Richtlijn 2003/86 een aanzienlijke beoordelingsmarge laat aan de EU-lidstaten, kan deze marge worden beperkt. Het begrip “ten laste komen van”, op grond waarvan het gezinslid ten laste moet zijn van de vluchteling als voorwaarde om aanspraak te kunnen maken op een verblijfsvergunning, dient immers op Europeesrechtelijke autonome en uniforme wijze te worden uitgelegd. Daarbij verwijst het Hof van Justitie naar de uitlegging van “ten laste komen van” zoals reeds uiteengezet in verband met Richtlijn 2004/38. Er moet dus een reële afhankelijkheid zijn die voortvloeit uit een feitelijke situatie waarbij het gezinslid materieel wordt gesteund door de gezinshereniger. Des te meer beklemtoont het Hof van Justitie dat er bovendien rekening dient te worden gehouden met de status van de vluchtelingen waarop artikel 10, lid 2, Richtlijn 2003/86 betrekking heeft. Daarom zal er sprake zijn van de afhankelijkheidsvoorwaarde wanneer (1) het gezinslid niet in zijn basisbehoeften kan voorzien op het tijdstip waarop het gezinsherenigingsverzoek wordt ingediend en (2a) het gezinslid daadwerkelijk door de vluchteling materieel wordt gesteund of (2b) de vluchteling het best in staat is om de vereiste materiële steun te bieden, gelet op de graad van verwantschap, de aard en de hechtheid van de andere familiebanden, de leeftijd en de economische situatie van de andere verwanten. Dit beoogt dus een geïndividualiseerd onderzoek van het gezinsherenigingsverzoek.
Het Hof van Justitie merkt echter wel op dat de aanvullende vereisten mogen opgelegd worden die verband houden met de afhankelijkheidsrelatie tussen de vluchteling en het gezinslid, desalniettemin rekening houdend met het voorgaande, het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en de algemene beginselen van het EU-recht. Hieruit volgt dat het recht op gezinshereniging van een zus van een vluchteling afhankelijk kan zijn van de voorwaarde dat zij wegens haar gezondheidstoestand niet in staat is om te voorzien in haar behoeften. De beslissing dient echter vooraf te worden gegaan van een geïndividualiseerd onderzoek, waarbij er rekening dient te worden gehouden met alle relevante aspecten van de persoonlijke situatie van de zus, met de omvang en de behoeften van de zus, die van persoon tot persoon sterk kunnen verschillen, en met de bijzondere situatie van de vluchtelingen.