Rechtbank van eerste aanleg Gent - 22/1160/B - 15-06-2023

Samenvatting

De verzoekers bewijzen verder wél dat Palestina hun dochter X niet als onderdaan aanziet krachtens haar wetgeving. De term ‘wetgeving’ bedoeld in artikel 1.1 van het Staatlozenverdrag moet in ruime zin geïnterpreteerd worden. Het volstaat dat Palestina op grond van het rechtstelsel dat in Palestina voorhanden is, X als haar onderdaan beschouwt.
 
Er kan geen enkele wettekst voorgelegd worden waaruit volgt dat X de Palestijnse nationaliteit zou verworven hebben. Het zogenaamde Palestijns charter is eerder een politiek document dat ervan uitgaat dat Palestina moet terugkeren naar het grote Palestina ten tijde van het Brits-mandaat gebied wat momenteel geen realiteit is. Uit dit document kunnen geen individuele rechten geput worden.
 
De arresten van het Hof van Cassatie (vgl. Cass 26 februari 2021, C.20.0428.N/1 (sic) en Cass (3e k.) AR C.21.0019.N, 14 juni 2021 (S.G.)) bevestigen dit. Het voornoemde arrest van het Hof van Beroep werd verbroken met als motivering: “Met hun oordeel dat het volstaat dat de Staat Palestina op grond van het aldaar toepasselijke recht de eisers als Palestijnse onderdaan beschouwt, “wat in casu het geval is” en de eisers blijkens hun vaststellingen in Libanon geboren zijn en steeds in Libanon hebben verbleven, laten de appelrechters het Hof niet toe de wettigheid van hun beslissing te toetsen.”
 
Ter zake beschikt X over geen enkel document dat door de Palestijnse autoriteit werd uitgereikt en waaruit blijkt dat zij op basis van haar bloedverwantschap (met haar ouders die wél over documenten beschikken die werden uitgereikt door de Palestijnse autoriteit) of verblijf op Palestijns grondgebied (zij heeft nooit op het grondgebied Gaza, Oost-Jeruzalem of de Westbank verbleven) door de Palestijnse autoriteit als onderdaan beschouwd wordt, laat staan dat zij over de Palestijnse nationaliteit beschikt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de verzoekers aantonen dat Palestina X niet als onderdaan beschouwt. De rechtbank wordt hierin gevolgd door de rechtspraak van het Hof van Beroep te Bergen (zie arrest nr. 2021/FQ/41 van 18 juli 2022, T.Vreemd. 2023 (weergave), afl. 1, 49).