Samenvatting
In voorliggende zaak heeft verweerder gemotiveerd dat verzoeker zijn identiteit niet overeenkomstig deze bepaling aantoont en evenmin het bewijs levert dat hij op grond van artikel 9ter, § 2, derde lid van de Vreemdelingenwet is vrijgesteld van de verplichting om zijn identiteit aan te tonen. Verweerder gaf aan van oordeel te zijn dat de door verzoeker voorgelegde Italiaanse verblijfskaart niet voldoet aan de in artikel 9ter, § 2, eerste lid Vreemdelingenwet gestelde voorwaarden, omdat verzoeker niet aantoonde dat hij dit document niet op basis van loutere verklaringen verkreeg.
In het laatste onderdeel van zijn middel betwist verzoeker de vaststelling dat de Italiaanse verblijfskaart op basis van loutere verklaringen zou zijn opgesteld. Hij voert aan dat zijn identiteit zonder voorbehoud werd vastgesteld door de Italiaanse overheid, dat de verblijfskaart werd uitgereikt door de daartoe bevoegde (Italiaanse) instantie en dat de waarachtigheid van dit document ook niet ter discussie staat. Hij benadrukt dat er ook geen enkele indicatie is dat het document louter op basis van zijn verklaringen zou zijn opgesteld.
De Raad stelt vast dat uit de vermeldingen op de voorgelegde Italiaanse verblijfskaart, waarvan een kopie is opgenomen in het administratief dossier en waaruit blijkt dat aan verzoeker in Italië de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend, als zodanig niet kan worden afgeleid dat dit document louter op grond van verzoekers eigen verklaringen is opgesteld. Verweerder motiveert ook niet op grond van welke indicaties hij van oordeel is dat dit stuk op basis van loutere verklaringen zou zijn opgesteld. Uit de aan de Raad voorgelegde stukken blijkt verder ook niet dat er concrete elementen voorliggen die erop wijzen dat de identiteitsgegevens die staan vermeld op de verblijfskaart, die door de bevoegde Italiaanse autoriteiten werd opgesteld en afgeleverd, louter een weergave zijn van de eigen verklaringen van verzoeker hieromtrent of dat
verweerder contact heeft opgenomen met de Italiaanse autoriteiten om dit te verifiëren. Uit de bewoordingen van artikel 9ter, § 2, eerste lid van de Vreemdelingenwet volgt voorts niet dat verzoeker bij het indienen van zijn verblijfsaanvraag steeds bijkomende bewijsstukken dient aan te brengen die aantonen dat het voorgelegde bewijselement niet op basis van de eigen verklaringen is opgesteld.
Nu verweerder, blijkens de motieven van de bestreden beslissing, is uitgegaan van de niet nader
gemotiveerde of gestaafde veronderstelling dat verzoekers Italiaanse verblijfskaart louter op grond van diens eigen verklaringen werd opgesteld, of in ieder geval, zonder wettelijke basis, heeft aangenomen dat op verzoeker in casu de verplichting zou rusten het bewijs te leveren dat de identiteit die is vermeld in een Italiaanse verblijfstitel niet louter een weergave is van zijn verklaringen, kan verzoeker worden gevolgd in zijn standpunt dat het zorgvuldigheidsbeginsel iuncto artikel 9ter van de Vreemdelingenwet werd geschonden.
Verweerders uiteenzetting in zijn nota met opmerkingen doet aan voorgaande vaststellingen geen afbreuk, aangezien niet wordt ingegaan op verzoekers kritiek dat hij niet vermocht vast te stellen dat de Italiaanse verblijfskaart op basis van loutere verklaringen werd opgesteld. De door verweerder op 17 december 2024 aan de Raad overgemaakte documenten waaruit blijkt dat verzoeker een aanvraag om machtiging tot verblijf, met toepassing van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet, indiende en hierbij ook een kopie van een Pakistaanse identiteitskaart voegde met dezelfde identiteitsgegevens als deze die staan vermeld op de eerder aangebrachte Italiaanse verblijfstitel, laat evenmin toe tot een ander besluit te komen.