Samenvatting
Een Chinese doctoraatsstudente verbleef sinds eind 2010 in België. DVZ had in 2017 het verblijf beëindigd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid (artikel 21 en 23 Vw). Deze beslissing werd vergezeld van een bevel om het grondgebied te verlaten en een inreisverbod. In de bestreden beslissing werd de beoordeling van het veiligheidsrisico dat de doctoraatsstudente stelde overgelaten aan de Staatveiligheid.
De Raad van State stelt dat de DVZ zich volledig baseerde op de conclusies van de Staatsveiligheid, zonder verdere eigen beoordeling, terwijl het DVZ is die bevoegd is om te oordelen over een verblijfsbeëindiging. DVZ is, in tegenstelling tot wat de RvV stelde, niet gebonden aan de conclusie van de Staatsveiligheid.
De RvV had in het bestreden arrest geoordeeld dat DVZ zich niet kon uitspreken over de relevantie of validiteit van de beoordeling door de Staatsveiligheid en deze bevindingen niet kan betwisten. Uit deze bevindingen kon DVZ volgens de RvV afleiden dat de betrokkene een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid en een reële, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. DVZ kon afzien van een verder onderzoek naar de feiten om te besluiten tot verblijfsbeëindiging. De RvS oordeelde dat de RvV daarmee de artikelen 21 en 23 Vw. miskend heeft.