Samenvatting
Op 1 augustus 2025 moest het Hof zich uitspreken in twee prejudiciële zaken over de uitlegging van artikel 3, punten 4 en 6, artikel 7, leden 1 en 4, artikel 8, leden 1 en 2, artikel 11, lid 1, en artikel 13 van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die onwettig op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn), gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest). Artikel 11, lid 1 van de Terugkeerrichtlijn voorziet namelijk dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd wanneer er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend, of wanneer niet aan de terugkeerverplichting is voldaan.
Twee verzoekers hadden in België een bevel om het grondgebied te verlaten gekregen, waarbij geen termijn voor vrijwillige terugkeer werd toegekend. Op basis van artikel 7, alinea 1 Vw, die de Richtlijn omzet, kregen zij daarbij een inreisverbod uitgevaardigd. Bij de eerste verzoeker verklaarde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (hierna: RvV) het terugkeerbesluit samen met het inreisverbod nietig, omdat de motieven die ten grondslag lagen aan het besluit om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te staan, onwettig waren. Tegen dit arrest werd een cassatieberoep ingesteld bij de Raad van State. Die vernietigde het arrest van de RvV, omdat het al dan niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek louter een uitvoeringsmaatregel is die de rechtstoestand van de betrokken vreemdeling niet wijzigt, aangezien dit geen invloed heeft op de vaststelling van het onwettig verblijf op het grondgebied. De RvV diende hierop een nieuwe uitspraak te doen, maar stelde enkele prejudiciële vragen aan het Hof over de aard van het besluit om geen termijn voor vrijwillige terugkeer toe te kennen en het opleggen van een inreisverbod. Ook in de tweede zaak werd een annulatieberoep bij de RvV ingediend tegen de beslissing om geen termijn voor vrijwillige terugkeer en een reisverbod op te leggen. Omdat in beide zaken gelijkaardige vragen voorlagen, werden ze door het Hof beantwoord in een samengevoegd arrest.
Eerst boog het Hof zich over de vraag of het niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek volgens artikel 7, lid 4, artikel 8 leden 1 en 2 en artikel 11, lid 1 van de Terugkeerrichtlijn moet worden beschouwd als een loutere uitvoeringsmodaliteit die de rechtstoestand van de betrokken derdelander niet wijzigt, aangezien het al dan niet toekennen van een dergelijke termijn niets wijzigt aan de vaststelling dat die derdelander onwettig op het grondgebied van de betrokken lidstaat verblijft. Eerst herinnert het Hof aan de procedure die elke lidstaat dient toe te passen op de terugkeer van onwettig verblijvende onderdanen van derde landen, die werd vastgelegd in de Terugkeerrichtlijn. Die houdt een stapsgewijze verzwaring van de tenuitvoerlegging van een terugkeerbesluit, beginnend met de toekenning van een termijn voor vrijwillig vertrek en eindigend met bewaring in een centrum. Hierbij moeten lidstaten steeds het evenredigheidsbeginsel in acht nemen.
Omdat uit deze regeling volgt dat een terugkeerbesluit niet onmiddellijk ten uitvoer kan worden gelegd op de enkele grond dat de betrokkene onwettig op het grondgebied verblijft, houdt de toekenning van een termijn voor vrijwillig vertrek onmiddellijke rechtsgevolgen in, waar de bevoegde nationale autoriteiten uitvoering aan moeten geven. Bovendien verplicht artikel 11, lid 1 van die richtlijn dat een inreisverbod wordt uitgevaardigd indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek is toegekend of indien niet aan de terugkeerverplichting is voldaan. Dit houdt opnieuw aanzienlijke gevolgen in voor de rechtstoestand van die persoon. Het Hof oordeelde daarom dat een beslissing over het al dan niet toekennen van een termijn voor vrijwillig vertrek daarom niet beschouwd kan worden als een loutere uitvoeringsmodaliteit die de rechtstoestand van de betrokken derdelander niet wijzigt.
Daarop ging het Hof na of artikel 13 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat een besluit om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen, in rechte moet kunnen worden aangevochten. Het Hof verwijst naar artikel 13, lid 1 van de Terugkeerrichtlijn, die een doeltreffend rechtsmiddel van beroep of bezwaar garandeert. Bovendien vloeit het recht om voor de vaststelling van een terugkeerbesluit te worden gehoord voort uit de verplichting om de betrokkene in staat te stellen zijn standpunt uiteen te zetten over de modaliteiten van zijn terugkeer. Artikel 13 van de Richtlijn samen met Artikel 47 van het Handvest vereisen daarom dat een besluit om geen termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen in rechte moet kunnen worden aangevochten.
Vervolgens boog het Hof zich over de vraag of de bewoordingen “samen met” en “gaat gepaard met” in respectievelijk artikel 3, punt 6, en artikel 11, lid 1, van de Terugkeerrichtlijn zo moeten worden uitgelegd dat zij zich er niet tegen verzetten dat de bevoegde nationale overheid ook na geruime tijd nog een inreisverbod oplegt, op basis van een terugkeerbesluit waarin geen termijn voor vrijwillig vertrek werd toegekend. Volgens het Hof moet de bewoording “samen met” of “gaat gepaard met” worden gelijkgesteld met de term “aanvullen,” en verwijzen ze naar een materiële band volgens welke een terugkeerbesluit een noodzakelijke voorafgaande voorwaarde vormt voor de geldigheid van een inreisverbod. Volgens het Hof is het daarom mogelijk om ook na geruime tijd nog een inreisverbod op te leggen, op basis van een terugkeerbesluit waarin geen termijn voor vrijwillig vertrek werd toegekend.
Tot slot moest het Hof oordelen of artikel 3, punt 4, en artikel 7 van de Terugkeerrichtlijn aldus moeten worden uitgelegd dat wanneer een bepaling over de termijn voor vrijwillig vertrek in een terugkeerbesluit onwettig is, het terugkeerbesluit in zijn geheel vervalt. Volgens het Hof moet deze vraag positief worden beantwoord. Volgens artikel 3, punt 4 van de Richtlijn is een “terugkeerbesluit” namelijk een bestuurlijke of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een derdelander onwettig is en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld. De terugkeer kan zowel vrijwillig als gedwongen gebeuren en de beslissing van de bevoegde nationale autoriteit om al dan niet een termijn voor vrijwillig vertrek toe te kennen, maakt dus integrerend deel uit van die verplichting.