Samenvatting
De Raad stelt dat uit de beschikbare cijfers over de opvangcapaciteit voor verzoekers om internationale bescherming in België voldoende blijkt dat de Belgische autoriteiten er niet in zijn geslaagd om het beloofde aantal nieuwe opvangplaatsen te voorzien. Er is bovendien geen perspectief over de opening van nieuwe opvangplaatsen en het blijft onduidelijk in hoeverre niet-kwetsbare alleenstaande mannen gebruik kunnen maken van de nood- en daklozenopvang. De Raad concludeert dat hier sprake is van een structurele tekortkoming.
De Raad merkt op dat de Belgische overheden meermaals werden veroordeeld voor schendingen van het recht op opvang. De Belgische overheden leven de gerechtelijke uitspraken niet na, dwangsommen worden niet betaald en het EHRM wees een grote hoeveelheid ‘interim measures’ toe in dat verband. Om die reden besluit de Raad dat er geen effectieve rechtsbescherming is voor het recht op opvang. Daaruit blijkt bovendien onverschilligheid van de Belgische autoriteiten.
De Raad concludeert dat verzoeker een reëel risico loopt om terecht te komen in een situatie die in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest en artikel 3 van het EVRM indien hij terugkeert naar België. De Raad oordeelt bijgevolg dat de minister niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel bij de toepassing van de Dublinverordening op verzoeken om internationale bescherming van niet-kwetsbare alleenstaande mannen voor België.