Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 324.199 - 27-03-2025

Samenvatting

In de bestreden beslissing gaat verweerder in eerste instantie in op de voorgelegde volmacht van de vader van de minderjarige Unieburger. Hieruit blijkt volgens hem niet dat verzoekster beschikt over het recht van bewaring over het kind, in de zin dat zij het recht heeft om het kind zonder de toestemming van de vader mee te nemen naar België om zich hier te vestigen. De volmacht gaat er, zo stelt verweerder, over dat de moeder de gezamenlijke beslissingen die zij heeft genomen met de vader, zelfstandig kan uitvoeren en zelfstandig die handelingen kan stellen om het kind te vertegenwoordigen, maar hieruit blijkt volgens hem niet dat de vader toestemming geeft opdat het kind zich vestigt in België en opdat de moeder exclusief het recht van bewaring mag uitoefenen. In dit verband verwijst hij ook naar het Spaanse Burgerlijk Wetboek.

Uit deze motivering blijkt dat verweerder niet zozeer betwist dat verzoekster beschikt over het recht van bewaring met betrekking tot haar minderjarige Spaanse dochter, maar wel dat niet blijkt dat zij beschikt over het exclusief recht van bewaring en evenmin dat de andere houder van het recht van bewaring met betrekking tot de minderjarige Unieburger, met name de vader, zijn toestemming heeft gegeven opdat verzoekster het kind meenam naar België om het hier te vestigen. Een lezing van de nota met opmerkingen bevestigt dat de determinerende motivering luidt dat een geldig bewijs ontbreekt van toestemming van de vader opdat de minderjarige Unieburger zich vestigt in België.

De Raad treedt verzoekster bij in haar kritiek dat verweerder aldus bijkomende voorwaarden stelt die niet zijn voorzien in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet, nu hierin geen sprake is van een te leveren bewijs dat verzoekster een exclusief recht van bewaring heeft of dat de vader uitdrukkelijk akkoord gaat met de vestiging van de minderjarige in België. Het volstaat dat verzoekster aantoont dat zij beschikt over het recht van bewaring met betrekking tot haar kind, wat in wezen niet wordt betwist en waaraan geen afbreuk wordt gedaan doordat zij dit deelt met de vader van het kind. De voorziene motivering betreft in wezen niet zozeer het verblijfsrecht van verzoekster, maar wel dat van haar kind. Indien verweerder van mening was dat niet blijkt dat de vader van de minderjarige Unieburger ondubbelzinnig akkoord was met de vestiging van de minderjarige Unieburger in België, of in dit verband een oprechte bekommernis had in het licht van het hoger belang van het kind, had hij logischerwijze de vestiging van deze minderjarige Unieburger moeten weigeren. Verweerder ging echter reeds over tot de afgifte van de gevraagde verblijfskaart voor de minderjarige Unieburger. Het is volstrekt onlogisch dat verweerder wel zonder probleem akkoord gaat met de vestiging van een minderjarige Unieburger in België, maar vervolgens de ouder die dit kind begeleidt en er de dagelijkse zorg over draagt – wat verweerder alleszins niet concreet betwist – het verblijfsrecht weigert omdat niet duidelijk is of de vader wel akkoord is met de vestiging van het kind in België. Alleszins moet verzoekster worden gevolgd in haar betoog dat verweerder met zijn beoordeling artikel 40bis, § 2, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet heeft miskend.

In tweede instantie is het volgens verweerder niet aangetoond dat verzoekster en haar minderjarige dochter nog steeds beschikken over een verzekering die hun ziektekosten volledig dekt. Hij merkt op dat een verklaring van lidmaatschap van Solidaris van 17 juni 2024 op naam van verzoekster en haar kind werd voorgelegd, waarin staat dat zij zijn ingeschreven bij het ziekenfonds van 1 januari 2023 tot en met 30 juni 2024. Hij merkt op dat dit bewijs op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet langer geldig was.

Samen met verzoekster moet worden vastgesteld dat zij in het kader van haar aanvraag een op dat ogenblik geldig bewijs van ziektekostenverzekering voorlegde. Ook op dit punt kan de Raad verzoekster bijtreden in haar standpunt dat het in de voorliggende situatie niet getuigt van een zorgvuldig handelen van verweerder waar hij haar aanvraag voor een verblijfskaart als familielid van een minderjarige Unieburger die hier verder alleen is ingeschreven zonder meer afwijst omdat het voorgelegde attest van ziektekostenverzekering op het ogenblik van het nemen van de beslissing niet langer geldig was, zonder minstens verzoekster de kans te geven een actueel attest van ziektekostenverzekering voor te leggen. Dit geldt des te meer nu niets erop wijst dat de minderjarige Unieburger en verzoekster tijdens hun verblijf niet lang volledig zouden zijn gedekt voor hun ziektekosten. Het door verzoekster in het kader van de aanvraag voorgelegde attest van Solidaris vermeldde zo nog dat zij “in regel [is] met de betaling van de aanvullende verzekering tot 31 december 2024”.

Verzoekster maakt een schending van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel aannemelijk. Het verweer in de nota met opmerkingen leidt niet tot een andere vaststelling.

Meer info