Samenvatting
Verweerder haalde aan dat verzoeker niet familiaal geïsoleerd leeft en dat er geen document werd ingediend die de verwantschap aantoont met de Belgische referentiepersoon. Verzoeker ging niet op deze motivering in. De Raad oordeelt bijgevolg dat er geen sprake is van een gezins- of familieleven in België dat onder de bescherming van artikel 8 EVRM kan vallen.
De Raad brengt in herinnering dat artikel 1 EVRM bepaalt dat de verdragsluitende partijen de rechten en vrijheden verzekeren ten aanzien van personen die onder hun rechtsmacht vallen. Gezien verzoekers zich bevinden in Pakistan, valt de situatie van verzoekers niet onder de rechtsmacht van de Belgische autoriteiten. Bijgevolg kunnen verzoekers zich niet dienstig beroepen op een schending van artikel 3 EVRM. Er kan evenmin worden aangenomen dat de Belgische overheden via de beginselen van behoorlijk bestuur alsnog zijn gehouden om de richtlijnen van artikel 3 EVRM toe te passen.
De Raad stelt dat verzoekers niet aantonen dat zij werkelijk deportatie vanuit Afghanistan naar Pakistan moeten vrezen. Verzoekers slagen er wel degelijk in om hun Pakistaanse visa te verlengen en hebben een verzoek tot internationale bescherming ingediend bij het UNCHR. De afgifte van humanitaire visa blijft de uitzondering, waardoor verweerder de afgifte mag voorbehouden voor uitzonderlijke humanitaire situaties waarin betrokkenen geen alternatieven voorhanden hebben. De vordering wordt verworpen.