Samenvatting
Het Hof heeft zich op 20 november 2025 uitgelaten over de rechtsverhouding tussen tijdelijke bescherming en het recht om een verzoek om internationale bescherming, in het bijzonder om subsidiaire bescherming, in te dienen en inhoudelijk te laten beoordelen. De zaak betrof een prejudiciële verwijzing waarin de nationale rechter vragen stelde over de uitlegging van Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (hierna: de Richtlijn tijdelijke bescherming), gelezen in samenhang met Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Kwalificatierichtlijn) en Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: de Procedurerichtlijn).
Aanleiding voor de prejudiciële vragen was de praktijk waarin een derdelander die tijdelijke bescherming genoot, werd uitgesloten van een inhoudelijke beoordeling van een verzoek om subsidiaire bescherming. De verwijzende rechter wenste te vernemen of het Unierecht toestaat dat een lidstaat een dergelijk verzoek niet in behandeling neemt of afwijst louter op grond van het feit dat de betrokkene reeds tijdelijke bescherming geniet.
Het Hof heeft beslist dat het Unierecht zich verzet tegen een dergelijke automatische uitsluiting. Het heeft daartoe overwogen dat tijdelijke bescherming, gelet op haar aard en doelstelling, een uitzonderlijke en tijdelijke maatregel is die beoogt onmiddellijke bescherming te bieden in situaties van massale instroom, maar die niet gelijkgesteld kan worden aan internationale bescherming in de zin van de Kwalificatierichtlijn. Tijdelijke bescherming mag derhalve niet tot gevolg hebben dat een derdelander definitief of zonder individuele beoordeling wordt uitgesloten van de mogelijkheid om subsidiaire bescherming te verkrijgen.
Bovendien heeft het Hof benadrukt dat de lidstaten gehouden zijn om elk verzoek om internationale bescherming individueel, objectief en onpartijdig te onderzoeken, overeenkomstig de Procedurerichtlijn. Het enkele feit dat een persoon tijdelijke bescherming geniet, ontslaat de bevoegde autoriteiten niet van de verplichting om na te gaan of de betrokkene voldoet aan de voorwaarden voor subsidiaire bescherming, met name of er bij terugkeer naar het land van herkomst een reëel risico bestaat op ernstige schade.
Daarbij heeft het Hof gepreciseerd dat lidstaten wel bevoegd blijven om de samenloop van tijdelijke bescherming en internationale bescherming procedureel te reguleren, mits deze regeling de uitoefening van het recht op internationale bescherming niet illusoir maakt en de effectieve bescherming van fundamentele rechten, zoals neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, waarborgt.
Het Hof constateerde in dit arrest dat tijdelijke bescherming geen alternatief vormt voor internationale bescherming en dat zij niet mag worden gebruikt als grond om asiel- of beschermingsverzoeken zonder inhoudelijke beoordeling terzijde te schuiven. Het arrest benadrukt aldus het primaat van individuele beoordeling en versterkt de rechtspositie van personen die, ondanks het genieten van tijdelijke bescherming, aanspraak kunnen maken op subsidiaire bescherming onder het Unierecht.