Samenvatting
De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen schendt artikel 2 van de Overeenkomst van 19 september 1960 niet door te oordelen dat verzoeker hieruit niet meer rechten kan putten dan uit richtlijn 2004/38 en bijgevolg geen verwijzing motu proprio naar de bepalingen van de Overeenkomst van 19 september 1960 vereist is in de aanvankelijk bestreden beslissing.
Artikel 2 van de Overeenkomst van 19 september 1960 dient gelezen te worden in samenhang met de overige bepalingen van die Overeenkomst. Artikel 5 van de Overeenkomst van 19 september 1960 voorziet in de mogelijkheid om “maatregelen tot verwijdering” te treffen wanneer de betrokkenen “gevaar opleveren voor de nationale veiligheid, of indien zij, bij gewijsde veroordeeld wegens een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormen voor de gemeenschap van dat land”. Zoals de verwerende partij terecht opmerkt wordt nergens gedefinieerd wat onder “maatregelen tot verwijdering” begrepen moet worden, waarbij niet uitgesloten wordt dat aan een verwijderingsmaatregel een bepaalde duur wordt gekoppeld gedurende dewelke de betrokken onderdaan niet het recht heeft om een andere Verdragsluitende staat binnen te komen en aldaar te verblijven. Dat de Overeenkomst van 19 september 1960 niet expliciet voorziet in een “inreisverbod”, zoals verzoeker aanvoert, betekent niet dat de Overeenkomst uitsluit dat aan een verwijderingsmaatregel een bepaalde duur wordt gekoppeld gedurende dewelke de betrokken onderdaan niet het recht heeft om een andere Verdragsluitende staat binnen te komen.
Artikel 2 van de Overeenkomst van 19 september 1960 vereist dat verzoeker “van goed zedelijk gedrag” moet zijn. Dit betekent dat rekening kan worden gehouden met een inreisverbod omwille van het gevaar voor de nationale veiligheid bij de beoordeling of een Beneluxonderdaan zich kan vestigen in België. De vereiste van “goed zedelijk gedrag” in artikel 2 van de Overeenkomst van 19 september 2019 impliceert niet alleen een morele integriteit, maar ook de afwezigheid van een gevaar voor nationale veiligheid.
Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verder oordeelt dat het Unierecht meer bescherming voorziet door in artikel 32 van richtlijn 2004/38 uitdrukkelijk te voorzien in de mogelijkheid om een aanvraag tot opheffing van een definitief besluit tot verwijdering in te dienen, terwijl dat niet voorzien is in de Overeenkomst van 19 september 1960, doet niet anders oordelen.