Samenvatting
Het verzoek gaat over de terugdrijving van de verzoekster, een Sri Lankaanse onderdaan, naar Sierra Leone op basis van het Verdrag van Chicago (het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart). Zij stelde dat deze terugdrijving haar heeft blootgesteld aan onmenselijke of onveilige omstandigheden in Sierra Leone, zoals problemen met veiligheid, gezondheid en voedselvoorziening. Daarmee zou artikel 3 EVRM, in zijn materiële aspect, zijn geschonden.
Daarnaast klaagde zij over een schending van artikel 3 EVRM in zijn procedurele aspect, afzonderlijk en samen met artikel 13 EVRM. Volgens haar waren de Belgische rechtsmiddelen om een terugdrijvingsbeslissing op grond van het Verdrag van Chicago aan te vechten niet effectief. Zij benadrukte dat zij niet tijdig was geïnformeerd dat zij naar Sierra Leone zou worden uitgezet, waardoor zij geen beroep kon instellen binnen de wettelijke termijn en geen beoordeling kon krijgen van de risico’s die zij daar liep.
Het EHRM ontving vervolgens door beide partijen ondertekende verklaringen van minnelijke schikking. De verzoekster stemde ermee in om af te zien van verdere vorderingen tegen België met betrekking tot de feiten van deze zaak. De Belgische regering verbond zich ertoe haar 15.000 euro te betalen.
Het EHRM stelt dat de regeling verenigbaar is met de waarborgen van het EVRM en de daarbij behorende Protocollen. Het acht het daarom niet noodzakelijk het onderzoek van de zaak voort te zetten. Het EHRM beslist dan ook unaniem om de zaak, overeenkomstig artikel 39 EVRM, van de rol te schrappen.