Europees Hof voor de Rechten van de Mens - 52836/22 - 9-04-2026

Samenvatting

Op 9 april 2026 veroordeelde het EHRM België voor een schending van artikel 3 EVRM (verbod op vernederende behandelingen), 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) en 34 EVRM (verbod op belemmering van de uitoefening van het recht op een individueel verzoekschrift)De veroordeling volgt uit het feit dat de Belgische autoriteiten geen opvang hebben geboden aan verzoekers om internationale bescherming, waardoor zij maandenlang op straat terechtkwamen. Dit gebeurde ondanks een uitspraak van de nationale rechter die de Belgische staat verplichtte om opvang en materiële hulp te bieden, en ondanks voorlopige maatregelen die het EHRM zelf had opgelegd om diezelfde opvang af te dwingen.

Feiten: verzoekers internationale bescherming tussen 111 en 338 dagen zonder opvang 

De zaak gaat over vier mannelijke verzoekers om internationale bescherming die tussen 2022 en 2023, afhankelijk van de persoon, tussen 111 en 338 dagen zonder opvang hebben moeten overleven. Elk van hen had een beschikking van de arbeidsrechtbank verkregen waarin de bevoegde Belgische autoriteiten werden veroordeeld om hen een opvangplaats toe te kennen. Toch moesten ze, met hulp van humanitaire organisaties, maandenlang op straat leven in Brussel. In elk van deze dossiers legde het EHRM aan België een voorlopige maatregel op om de verzoekers een opvangplaats en materiële bijstand te verlenen. Ondanks die maatregelen bleven de verzoekers nog weken tot maanden wachten voordat ze effectief een opvangplaats kregen. Zij wendden zich uiteindelijk tot het EHRM: eerst om voorlopige maatregelen te verkrijgen op grond van regel 39 van het Reglement van het EHRM, en vervolgens om een verzoekschrift ten gronde in te dienen.

Voor het EHRM beweren ze dat België artikel 3 EVRM (verbod op foltering, onmenselijke en vernederende behandelingen), artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) en artikel 34 EVRM (verbod op belemmering van de uitoefening van het recht op een individueel verzoekschrift voor het EHRM) heeft geschonden.

Zaak ontvankelijk t.a.v. artikel 3 EVRM: geen burgerrechtelijke aansprakelijkheidsvordering nodig om de interne rechtsmiddelen uit te putten

In de zaak Camara tegen België (2023) had het EHRM met vijf stemmen tegen twee de klacht op basis van artikel 3 EVRM niet ontvankelijk verklaard. Volgens het EHRM in dat arrest had de verzoeker de nationale rechtsmiddelen niet uitgeput: hij had eerst een burgerrechtelijke aansprakelijkheidsvordering tegen de staat moeten instellen. 

In het huidige arrest, beoordeelt het EHRM dat de zaak wel ontvankelijk is door enkel een vordering bij de arbeidsrechtbank via eenzijdig verzoekschrift te hebben ingediend. Volgens het EHRM, verschilt deze zaak van de zaak Camara waarin de verzoeker vrij snel werd opgevangen na de voorlopige maatregelen bevolen door het EHRM op grond van Regel 39. 

Het EHRM herhaalt zijn vaste rechtspraak: de nationale rechtsmiddelen moeten uitgeput zijn op het moment dat het verzoekschrift bij het EHRM wordt ingediend (ofwel een aanvraag tot voorlopige maatregelen, ofwel een indiening van het formulier van verzoekschrift). Er kunnen uitzonderingen zijn als er na de indiening van het verzoekschrift specifieke nationale rechtsmiddelen zijn ingevoerd om het probleem aan te pakken, maar dat is hier niet het geval (§ 80). In casu bevonden de verzoekers zich ten tijde van hun verzoekschrift op straat. In deze zaak waren de verzoekers echter nog steeds niet ondergebracht op het moment dat ze hun klacht met betrekking tot artikel 3 EVRM via hun verzoekschrift naar voren brachten. De situatie die als een schending van deze bepaling werd aangemerkt was op dat moment nog niet beëindigd.

In casu hebben de verzoekers gebruik gemaakt van een rechtsmiddel (een eenzijdig verzoekschrift bij de arbeidsrechtbank) waarvan ze terecht mochten aannemen dat het toereikend was om hun klacht op grond van artikel 3 EVRM snel en doeltreffend aan te pakken. Volgens het EHRM konden de verzoekers met dit preventieve rechtsmiddel een einde maken aan de situatie die zij aan de kaak stelden, namelijk het gebrek aan huisvesting en materiële hulp, terwijl dat niet het geval is bij een schadevergoedingsvordering tegen de staat.

In tegenstelling tot wat de regering beweerde, oordeelt het EHRM dat het niet nodig was een aansprakelijkheidsvordering tegen de staat in te stellen om de interne rechtsmiddelen uit te putten. De zaak is dus ontvankelijk en het EHRM kan de situatie aan artikel 3 EVRM ten gronde toetsen. 

Schending artikel 3 EVRM: vernederende behandeling 

Artikel 3 EVRM verplicht Verdragsluitende Staten noch om een recht op huisvesting te waarborgen voor elke persoon die onder hun rechtsmacht valt, noch om een financiële bijstand te voorzien van een bepaalde levensstandaard. Maar in dit geval rust de verplichting om asielzoekers zonder middelen fatsoenlijke huisvesting of materiële voorzieningen te bieden op de autoriteiten van België op grond van de bepalingen van de nationale wetgeving waarmee het recht van de Europese Unie is omgezet. De loutere schending van het nationale recht volstaat evenwel niet om een schending van artikel 3 EVRM vast te stellen. Het EHRM moet de concrete situatie van verzoekers onderzoeken.   

De vier verzoekers om internationale bescherming zijn meerderjarige alleenstaande mannen zonder kinderen ten laste en zonder ernstige gezondheidsproblemen. Ze beweren dat ze op straat in Brussel in een heel precaire situatie hebben moeten overleven, respectievelijk tussen 111 en 338 dagen. Volgens het EHRM zijn er geen redenen om aan hun verhaal te twijfelen, rekening houdend met de moeilijkheden waarmee verzoekers in dergelijke omstandigheden te maken kunnen krijgen bij het onderbouwen van hun beweringen. Aan de verzoekers kan niet worden verweten dat zij niet hebben aangetoond dat zij een beroep hebben gedaan op humanitaire organisaties. In ieder geval zou het verlenen van dergelijke hulp de autoriteiten niet kunnen ontslaan van hun verplichtingen op grond van artikel 3 EVRM (§ 106).   

Aangezien de Belgische autoriteiten hun wettelijke verplichting om de verzoekers onderdak te bieden niet zijn nagekomen, moeten zij verantwoordelijk worden gehouden voor de omstandigheden waarin de betrokkenen zich maandenlang, ook tijdens de winter, hebben bevonden: leven op straat, zonder middelen van bestaan, zonder toegang tot sanitaire voorzieningen, zonder enige mogelijkheid om in hun basisbehoeften te voorzien en in voortdurende angst voor hun veiligheid. Het EHRM is van oordeel dat de verzoekers daardoor het slachtoffer zijn geworden van een vernederende behandeling die blijk geeft van een gebrek aan respect voor hun waardigheid. Volgens het EHRM hebben dergelijke levensomstandigheden, in combinatie met het uitblijven van een adequate reactie van de Belgische autoriteiten ondanks de talrijke signalen van de verzoekers dat zij in de praktijk in hun basisbehoeften niet konden voorzien, de in artikel 3 EVRM vereiste ernstdrempel overschreden.

Ook al erkent het EHRM de inspanningen van de Belgische autoriteiten om extra opvangplaatsen te voorzien, kan een dergelijke crisis op zichzelf geen rechtvaardiging vormen voor het niet naleven van artikel 3 EVRM. Artikel 3 EVRM is dus geschonden. 

Schending artikel 6 EVRM: België heeft op manifeste wijze geweigerd om gevolg te geven aan de bevelen van de nationale rechter

In het arrest Camara wees het EHRM op het “systemisch verzuim van de Belgische autoriteiten om definitieve rechterlijke beslissingen inzake de opvang van verzoekers om internationale bescherming ten uitvoer te leggen”. Het EHRM herhaalt dat een dergelijke praktijk onverenigbaar is met het beginsel van de rechtsstaat, dat ten grondslag ligt aan het gehele systeem van het EVRM.

In casu zijn de rechterlijke uitspraken door de autoriteiten gedeeltelijk ten uitvoer gelegd, respectievelijk 67, 82, 147 en 262 dagen na het definitief worden van de beschikking van de arbeidsrechtbank, door de verzoekers onderdak te bieden. In zijn verweer geeft de regering zelfs toe dat die termijnen niet verenigbaar zijn met de vereiste van artikel 6 EVRM (§125). 

Logischerwijze acht het EHRM die termijnen ook onredelijk ook gezien de rechterlijke beslissingen tot doel hadden de menselijke waardigheid van de verzoekers te beschermen (§ 124). Het EHRM stelt ook vast dat die beslissingen op het moment van zijn eigen arrest nog niet volledig ten uitvoer gelegd zijn, omdat de dwangsommen waartoe de staat is veroordeeld, nog steeds niet betaald zijn.   

Dit volstaat om een schending van artikel 6 §1 EVRM vast te stellen. 

Schending artikel 34 EVRM: te trage tenuitvoerlegging van de voorlopige maatregel krachtens Regel 39

Het EHRM had ten aanzien van alle verzoekers voorlopige maatregelen aangenomen op basis van Regel 39 van het Reglement van het EHRM die België verplichtten om opvang en materiële bijstand te verlenen op basis van de beslissingen van de arbeidsrechtbank.

Artikel 34 EVRM dient om de daadwerkelijkheid van het recht op individueel beroep bij het EHRM te waarborgen. Dit geldt ook met betrekking tot de naleving van de voorlopige maatregelen op grond van Regel 39, aangezien het EHRM dergelijke maatregelen voorschrijft om de doeltreffendheid van het recht op individueel beroep te waarborgen.

Een aanzienlijke vertraging van de autoriteiten bij de tenuitvoerlegging van een voorlopige maatregel, waardoor de verzoeker het risico liep de behandeling te ondergaan waartegen die maatregel hem net moest beschermen, vormt een schending van artikel 34 EVRM.

In casu stelt het EHRM vast dat de voorlopige maatregelen zijn uitgevoerd respectievelijk 21, 64, 107 en 261 dagen na de vaststelling van deze maatregelen, door onderdak aan verzoekers te bieden. Het EHRM beoordeelt dat, hoe groot de crisis ook was, de termijnen niet redelijk konden zijn. Dit is ook omdat de voorlopige maatregelen van het EHRM een definitief bevel bevestigden dat al door de binnenlandse rechtbanken was uitgevaardigd.

Artikel 34 EVRM is dus ook geschonden.

Schadevergoeding tussen 5.000 en 12.000 euro naargelang de duur van het gebrek aan opvang

Het EHRM kent een morele schadevergoeding toe, rekening houdend met de aard en de ernst van de schendingen, het psychische en fysieke leed van verzoekers, en de duur van de situatie van ontbering waarin de verzoekers hebben moeten leven. Het bedrag is respectievelijk tussen 5.070 tot 12.350 euro.

Artikel 46 EVRM: nood aan structurele maatregelen om opvang te verlenen 

Zoals in de zaak Camara, stelt het EHRM vast dat het gebrek aan opvang voor verzoekers om internationale bescherming een systemisch probleem vormt. Het wijst er nadrukkelijk op dat België, op grond van artikel 46 EVRM, passende maatregelen moet nemen om hieraan een einde te maken. Het EHRM merkt op dat het Comité van Ministers, in het kader van zijn toezichthoudende taak in de zaak Camara, de situatie in september 2026 opnieuw zal beoordelen.

Meer info