EHRM: Belgische staat schendt verschillende bepalingen EVRM wegens niet tijdig opvangen van asielzoekers
In het kort
In een arrest nr. 52836/22 van 9-4-2026 (M.V. en anderen tegen België) veroordeelt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) de Belgische Staat. Verzoekers leefden verschillende maanden op straat, zelfs tijdens de winter, zonder middelen om in hun essentiële noden te voorzien. Deze omstandigheden overschreden de drempel van ernst die vereist is om een schending van artikel 3 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) te kunnen vaststellen. De verzoekers zijn slachtoffer van vernederende behandeling die een gebrek aan respect voor hun waardigheid inhield. Het EHRM acht ook artikel 6 (recht op eerlijk proces) en artikel 34 (recht op individuele verzoekschriften) geschonden.
Naast de schending van artikel 3 EVRM, acht het EHRM ook het recht op een eerlijk proces geschonden zoals vervat in artikel 6 §1 EVRM. De tijd die de Belgische Staat nam om uitspraken van rechtbanken uit te voeren kan niet als redelijk worden beschouwd.
Ook stelt het EHRM dat artikel 34 EVRM geschonden is waarin het recht op individuele verzoekschriften is vervat. De tijd tussen het bepalen van de voorlopige maatregelen opgelegd door het EHRM en de uitvoering ervan door de Belgische overheden was niet redelijk. De voorlopige maatregelen bevestigden bovendien definitieve uitspraken van Belgische, interne rechtbanken.
Meer info
EHRM 9 april 2026, nr. 52836/2 en lees ons dossier opvangcrisis