GwH schorst mogelijkheid tot beperking opvang voor M-status en schrapping opheffing/niet-toewijzing code 207

Update: Fedasil blijft opvang weigeren aan M-statushouders

Op 27-3-2026 schorste de Raad van State in arrest 266.219 de ministeriële instructie van 2-3-2026 aan Fedasil om de materiële hulp te blijven beperken voor M-statushouders.

In de praktijk bleek immers dat Fedasil op instructie van de Minister voor Asiel en Migratie opvang bleef weigeren aan M-statushouders die asiel vragen in België. Fedasil vermeldde in zijn nieuwe beslissingen een combinatie van rechtsgronden die al bestonden vóór de wetswijziging van 14-7-2025. Die gronden had de ministerraad opgeworpen in de schorsingsprocedure voor het Grondwettelijk Hof (GwH). Het GwH had de juridische redenering waar dit op steunt al geanalyseerd in zijn arrest en precies daarom een prejudiciële vraag gesteld aan het Hof van Justitie. Door de weigering van opvang nu opnieuw op dezelfde redenering te baseren, leek de minister het GwH-arrest te miskennen. Verder oordeelde het Hof van Cassatie al dat Fedasil de waardige levensstandaard moet toetsen bij elke beperking van de opvang. 

Lees hieronder meer onder "Beperking opvang voor M-status" onder 'Gevolgen in de praktijk?'

In het kort

In zijn arrest nr. 23/2026 van 26-2-2026 schorst het Grondwettelijk Hof (GwH) de bepalingen die een verzoek om internationale bescherming in België ingediend door personen die al internationale bescherming kregen in een ander EU-land (M-statushouders) kwalificeren als ‘volgend verzoek’ en die een beperking van de opvang op deze grond mogelijk maakten. Het GwH stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie (HvJ). Het GwH schorst ook de bepalingen die de mogelijkheid schrappen voor Fedasil om in bijzondere omstandigheden een opheffing of niet-toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving (code 207) te verlenen. Het GwH schorst deze bepalingen in afwachting van het oordeel ten gronde omdat ze niet in overeenstemming lijken met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, het recht op privé- en gezinsleven en het recht op menswaardig leven met bijhorend standstill-beginsel, en omdat ze een moeilijk te herstellen ernstig nadeel inhouden. Al deze bepalingen waren van kracht sinds 2-8-2025.

Deze schorsing heeft als gevolg dat Fedasil vanaf 2-3-2026 M-statushouders die asiel in België vragen (opnieuw) asielopvang moet geven, of toegang tot OCMW-steun door een niet-toewijzing of opheffing van code 207 omwille van bijzondere omstandigheden. In de praktijk blijkt dat Fedasil de opvang blijft weigeren aan M-statushouders.

Beperking van de materiële hulp voor M-status

Schorsing van artikel 2 wet van 14-7-2025 tot wijziging van de Verblijfswet, en van artikel 2 wet van 14-7-2025 tot aanvulling van artikel 4, §1 Opvangwet met 5°

Door de bestreden bepalingen wordt een VIB in België een ‘volgend verzoek’ wanneer de verzoeker al een eerste VIB heeft ingediend in een andere EU-lidstaat, ongeacht of dat eerste verzoek leidde tot een positieve of een negatieve beslissing. Deze kwalificatie als volgend verzoek maakt het vervolgens mogelijk voor Fedasil om het recht op materiële hulp, behalve de medische begeleiding, te beperken of in te trekken wanneer de verzoeker al internationale bescherming in een andere EU-lidstaat heeft (‘M-status’). Dit komt in de praktijk neer op het weigeren van een opvangplaats door een ‘code 207: no show’-beslissing.

Moeilijk te herstellen ernstig nadeel: schending menswaardig leven

Het GwH bevestigt dat verzoekers het recht op opvang gedurende weken of zelfs maanden ontzeggen, hen plaatst in een situatie waarin zij geen menswaardig leven kunnen leiden. De bestaansonzekerheid kan aanzienlijke, mogelijks onomkeerbare, fysieke of psychologische schade veroorzaken. Des te meer omdat de betrokken personen tot kwetsbare bevolkingscategorieën behoren. Dit is voor hen een zeer ernstig nadeel, dat niet achteraf door een vernietiging van de bestreden bepalingen kan worden hersteld.

Het bestaan van hulp door daklozenopvang en vrijwilligersorganisaties compenseert het risico niet dat verzoekers geen menswaardig leven kunnen leiden wanneer de door de overheid voor verzoekers georganiseerde opvang ontbreekt. Deze hulp heeft onvoldoende capaciteit om de verzoekers op te vangen die geen opvang van Fedasil krijgen. Ze is bovendien precair en niet aangepast aan de noden van verzoekers. 

De verzoekers veroorzaakten niet zelf hun nadeel door het verlaten van de andere lidstaat waar zij internationale bescherming genoten. Zij geven aan dat de levensomstandigheden in dat land hen beletten een menswaardig leven te leiden. Het is aan het CGVS om zich uit te spreken over de nood aan internationale bescherming in België.

Ernstig middel: schending van artikel 10 en 11 Grondwet?

Het GwH maakt een analyse van de Europese regelgeving en rechtspraak en concludeert dat het Hof van Justitie zich nog niet expliciet uitsprak over de vraag of een VIB ingediend door een verzoeker die al in een andere lidstaat bescherming geniet, een volgend verzoek is in de zin van artikel 2, q) en artikel 33, lid 2, d) van de Opvangrichtlijn en of de materiële hulp bijgevolg kan worden beperkt of ingetrokken, met toepassing van artikel 20, lid 1, c) van die richtlijn. De rechtspraak waarnaar de Ministerraad verwijst gaat enkel over een definitieve negatieve beslissing in een andere EU-lidstaat. De zogenaamde ‘M-status’ waarvan hier sprake, is wanneer iemand in een andere lidstaat al een positieve beslissing kreeg.

Het GwH stelt daarom een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Het neemt in deze vraag ook de relevante bepalingen op uit de nieuwe Procedureverordening van het EU-Migratiepact, dat op 12 juni 2026 in werking treedt. Zo behoudt de vraag haar relevantie ook na deze datum. Het GwH stelt namelijk vast dat de relevante bepalingen uit de huidige Procedurerichtlijn door het Pact vervangen worden door zeer soortgelijke bepalingen in de nieuwe Procedureverordening.

Het GwH kan zich niet uitspreken over het ernstige karakter van deze middelen tot er een antwoord van het HvJ is. Het schorst de bestreden bepalingen en dit tot de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het arrest van het GwH waarbij het definitief uitspraak doet over dit middel.

Gevolgen in de praktijk?

In principe moet Fedasil vanaf 2-3-2026 M-statushouders die asiel in België vragen (opnieuw) asielopvang geven. De schorsing van artikel 2 wet van 14-7-2025 tot wijziging van de Verblijfswet, en van artikel 2 wet van 14-7-2025 tot aanvulling van artikel 4, §1 Opvangwet met 5° heeft uitwerking vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad op 2-3-2026, tot wanneer het Grondwettelijk Hof zich ten gronde uitspreekt over het vernietigingsberoep.

In de praktijk blijkt dat Fedasil hen opvang blijft weigeren. De juridische basis die Fedasil vermeldt in deze weigeringsbeslissingen is:

  • Art. 1, 20° van de Verblijfswet dat een volgend verzoek definieert als "elk later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen"
  • Art. 4 § 1, 3° van de Opvangwet dat bepaalt dat Fedasil het recht op materiële hulp kan beperken of, in uitzonderlijke gevallen, intrekken indien een asielzoeker een volgend verzoek heeft gedaan, tot aan de beslissing waarbij tot de ontvankelijkheid wordt besloten
  • HvJ-arrest C-123/23 en C-202/23 (Khan Yunis en Baabda) van 19-12-2024

Hiermee valt Fedasil terug op rechtsgronden die al bestonden vóór de wetswijziging van 14-7-2025. Indien deze basis volstaat, was de wetswijziging dus overbodig. Bovendien is de HvJ-rechtspraak die nu als rechtsgrond wordt gebruikt dezelfde als deze die door de ministerraad werd opgeworpen in de schorsingsprocedure voor het GwH. Het GwH heeft deze rechtspraak van het HvJ al geanalyseerd in zijn arrest. Het is precies omwille van deze analyse dat het GwH een prejudiciële vraag stelt aan het HvJ. Door zich nu opnieuw op deze rechtsgrond te baseren, lijkt Fedasil het GwH-arrest te miskennen.

Verder oordeelde het Hof van Cassatie al dat Fedasil de waardige levensstandaard moet toetsen bij iedere beperking van de opvang. De enkele vaststelling dat de verzoeker in het in artikel 4, § 1, 3° van de Opvangwet bedoelde geval verkeert – namelijk een volgend verzoek heeft ingediend, volstaat niet als wettige verantwoording voor het tijdelijk beperken van de materiële hulp. Lees meer in ons nieuwsbericht: Cass: Fedasil mag opvang bij volgend verzoek niet beperken zonder toetsing waardige levensstandaard

Schrapping niet-toewijzing of opheffing code 207

Schorsing van artikels 4 en 5 wet van 14-7-2025 tot wijziging van de Opvangwet

Moeilijk te herstellen ernstig nadeel: schending menswaardig leven

Door artikel 11, § 3, vierde lid en artikel 13 Opvangwet te schrappen, ontnemen de bestreden bepalingen aan Fedasil de mogelijkheid om geen verplichte plaats van inschrijving (code 207) toe te wijzen of om deze code 207 op te heffen in bijzondere omstandigheden. Deze niet-toewijzing of opheffing liet een verzoeker toe zich tot het OCMW te richten. Dit was een middel om een menswaardig leven te leiden in gevallen waar de huisvesting in een opvangstructuur niet voldeed, bijvoorbeeld door via OCMW-steun te voorzien in huisvesting aangepast aan de medische situatie.

Door een dergelijke opheffing of niet-toewijzing onmogelijk te maken, worden deze middelen tot een menswaardig leven ook ontzegd aan verzoekers die omwille van de verzadiging van het opvangnetwerk geen opvang en een oneigenlijke code 207 ‘no show’ krijgen.

Ernstig middel: schending van art. 10, 11, 22 en 23 Gw.?

De onmogelijkheid om over te stappen van materiële hulp naar financiële steun lijkt de Belgische staat bloot te stellen aan een gekwalificeerde schending van het Unierecht ten aanzien van verzoekers die geen menswaardig leven zouden kunnen leiden als de hulp om een of andere reden niet in natura kan worden gegeven. Dit is een schending waarbij de VIB een schadevergoeding kan eisen van de lidstaat als aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Een dergelijke schending lijkt niet in overeenstemming met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.

De bestreden bepalingen veroorzaken bovendien een achteruitgang van de bescherming van het recht van bepaalde verzoekers op een menswaardig leven en van hun recht op maatschappelijke hulp en behoorlijke huisvesting.

De autoriteiten worden daarnaast belet om financiële steun te overwegen in bijzondere gevallen waarbij dit onontbeerlijk is om het recht op privé- en gezinsleven te waarborgen.

De bestreden bepalingen worden geschorst tot de uitspraak in de vernietigingsberoepen, die binnen de 3 maanden moet volgen.

Dit betekent dat vanaf 2-3-2026 Fedasil minstens tijdelijk opnieuw de mogelijkheid heeft om in bijzondere omstandigheden geen code 207 toe te wijzen of om deze op te heffen.

Beperking van de materiële hulp voor het begeleid minderjarig kind met eerste verzoek in eigen naam, na eerdere definitieve negatieve beslissing aan ouders

Geen schorsing van artikel 2 wet van 14-7-2025 tot aanvulling van artikel 4, §1 Opvangwet met 6°

Deze bepaling maakt het mogelijk om het recht op materiële hulp te beperken of in te trekken van een begeleid kind dat een VIB in eigen naam doet, nadat een eerste VIB in naam van de ouders werd afgewezen. Lees hierover onze kritische bedenking.

De verzoekers tonen niet aan dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling aan de oorsprong ligt van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij ondervinden. Dit middel werd daarom niet onderzocht door het GwH in deze schorsingsprocedure.