Wijziging Opvangwet: nieuwe weigeringsgronden & schrapping niet-toewijzing en opheffing

Schorsing door Grondwettelijk Hof van beperking opvang voor M-status en schrapping opheffing/niet-toewijzing code 207

Opgelet: dit nieuwsbericht is gedeeltelijk verouderd. Lees meer in onze nieuwsberichten 'GwH schorst mogelijkheid tot beperking opvang voor M-status en schrapping opheffing/niet-toewijzing code 207' en 'GwH vernietigt schrapping van niet-toewijzing en opheffing code 207 in Opvangwet'.

In zijn arrest nr. 23/2026 van 26-2-2026 schorst het Grondwettelijk Hof de bepalingen die een verzoek ingediend door verzoekers met internationale bescherming in een ander EU-land (M-statushouders) kwalificeren als ‘volgend verzoek’ en die een beperking van de opvang op deze grond mogelijk maakten. Het Hof stelt hierover een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. 

Het Grondwettelijk Hof schorst (arrest 23/2026) en vernietigt (arrest 66/2026) ook de bepalingen die de mogelijkheid schrappen voor Fedasil om een opheffing of niet-toewijzing van de verplichte plaats van inschrijving (code 207) te verlenen. Deze bepalingen lijken niet in overeenstemming met de grondwettelijke beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie, recht op menswaardig leven met bijhorend standstill-beginsel en het recht op privé- en gezinsleven.

In het kort

Voor verzoeken om internationale bescherming (VIB) heeft Fedasil sinds 2-8-2025 de mogelijkheid om opvang te weigeren aan verzoekers met internationale bescherming in een ander EU-land (M-statushouders) en aan gezinnen waarvan het kind een eerste VIB in eigen naam indient na een eerdere negatieve beslissing voor de ouders. Daarnaast verdwijnt de mogelijkheid voor Fedasil om in bijzondere omstandigheden een niet-toewijzing of opheffing te verlenen. 

Twee nieuwe opvangweigeringsgronden

Eerdere beschermingsstatus in andere EU-lidstaat (M-status)

Een VIB ingediend vanaf 2 augustus 2025 door een verzoeker die in een andere EU-lidstaat al een definitieve beslissing heeft gekregen, wordt beschouwd als een volgend verzoek. Fedasil kan de opvang van verzoekers om IB met een eerdere definitieve negatieve beslissing in een ander EU-land intrekken of beperken op basis van artikel 4 §1, 3° Opvangwet. Op basis van het nieuwe 5° van artikel 4, §1 Opvangwet is er nu ook een aparte basis ingevoerd voor verzoekers met een M-status. Deze nieuwe bepaling bevat geen beperking tot de ontvankelijkheidsfase. Dit betekent dat deze opvangweigering van kracht blijft gedurende de hele procedure ten gronde, ook als het verzoek de ontvankelijkheidsfilter doorstaat. Deze verzoekers hebben nog wel recht op medische hulp. Ze kunnen hiervoor het medisch requisitorium invullen, waarna Fedasil de medische kosten terugbetaalt.

Tot augustus 2025 volgde er na het ontvankelijkheidsonderzoek geen aparte positieve ontvankelijkheidsbeslissing. Als het CGVS van mening is dat de bescherming in de andere lidstaat niet langer effectief is, zette CGVS het onderzoek ten gronde verder, zonder een beslissing te nemen in de ontvankelijkheidfase. De memorie van toelichting bij de wijziging van Opvangwet vermeldt nog die werkwijze. Die aparte werkwijze lijkt echter niet meer gegrond in de gewijzigde Verblijfswet: sinds 2-8-2025 definieert het nieuwe artikel 50, §5 Verblijfswet zo'n verzoek in België na M-status als een volgend verzoek, en volgens de algemene regels van de Verblijfswet op het volgend verzoek zou het CGVS voortaan ook in dit geval altijd over de ontvankelijkheid moet beslissen, hetzij negatief hetzij positief. Dit heeft concrete gevolgen op de rechtspositie van de betrokkenen. Lees hierover meer in ons nieuwsbericht: Eerste asielverzoek in België na definitieve beslissing in andere EU-lidstaat wordt ‘volgend verzoek’. We volgen op hoe deze bepalingen in de praktijk zullen toegepast worden, en zullen verdere info in dit bericht verwerken.

Kritische bedenking

De nieuwe weigeringsgrond in artikel 4, §1, 5° Opvangwet komt dus naast de al eerder bestaande weigeringsgrond in artikel 4, §1, 3° voor personen die een volgend verzoek hebben ingediend, te staan. Nochtans kunnen verzoeken van M-statushouders door de wet van 14 juli 2025 tot wijziging van de Verblijfswet ook als volgend verzoek behandeld worden. De opvangweigeringsgrond in artikel 4, §1, 3° lijkt voldoende. Het is niet duidelijk waarom de wetgever voor hen nog een aparte weigeringsgrond voorziet. Het is bovendien onduidelijk of de huidige Opvangrichtlijn en de vernieuwde Opvangrichtlijn deze aparte weigeringsgrond voor verzoekers met een M-status toelaat. Beide richtlijnen voorzien in respectievelijk artikel 20.1.c) en artikel 23.2.c) de mogelijkheid om opvang te weigeren in geval van een volgend verzoek. De artikels voorzien geen aparte mogelijkheid om opvang te weigeren op basis van de vaststelling dat iemand al bescherming geniet in een andere EU-lidstaat. 

Update: rechtspraak

De Arbeidsrechtbank veroordeelde Fedasil intussen meermaals op eenzijdig verzoekschrift om gezinnen op te vangen die zo’n beslissing ‘no show M-status’ kregen. Het gaat om gezinnen die al internationale bescherming kregen in Griekenland. De rechter verwijst naar de situatie in Griekenland, de mogelijkheid voor Fedasil om wél opvang toe te kennen en naar de stereotiepe motivering van de no show-beslissing.

De gezinnen kregen ondanks de veroordelingen nog geen opvang. Fedasil schreef in verschillende e-mails aan advocaten dat zij de veroordelingen niet uitvoeren op vraag van minister Van Bossuyt. De minister communiceerde hierover ook in de pers en gaf ook aan geen dwangsommen te betalen.

Begeleid minderjarig kind met eerste verzoek in eigen naam, na eerdere definitieve negatieve beslissing aan ouders

De Memorie van Toelichting (Mvt) geeft aan dat deze nieuwe weigeringsgrond de ‘gerechtvaardigde doelstelling heeft om misbruik te voorkomen’. Volgens de wetgever ‘is op het terrein vastgesteld dat gezinnen vaak een beroep doen op deze procedure met hetzelfde doel, namelijk het behoud van materiële hulp’. De opvangweigering vervalt van zodra het CGVS op basis van artikel 57/6, §3, eerste lid, 6° Vw oordeelt dat de eigen feiten van de minderjarige een afzonderlijk verzoek in eigen naam rechtvaardigen.

Ook hier hebben verzoekers met een beslissing tot intrekking of beperking van de opvang nog steeds recht op medische hulp. Ze kunnen hiervoor het medisch requisitorium invullen, waarna Fedasil de medische kosten terugbetaalt. 

Kritische bedenking

Aangezien deze begeleide minderjarigen een eerste verzoek in eigen naam indienen, vallen zij niet onder de definitie van ‘volgend verzoek’. Deze nieuwe opvangweigeringsgrond voor deze specifieke situatie wordt niet voorzien in de huidige Opvangrichtlijn 2013/33/EU en de vernieuwde Opvangrichtlijn 2024/1346. Het is dan ook de vraag of deze nieuwe weigeringsgrond in overeenstemming is met het Europees recht

Bovendien gaf de Raad van State in haar advies ook aan dat er te allen tijde rekening moet worden gehouden met het hoger belang van het kind. De wetgever benadrukt in de MvT dat Fedasil bij een opvangweigering altijd het hoger belang van het kind in aanmerking zal nemen. Toch rijst de vraag of de weigeringsgrond op zich wel verenigbaar is met dat hoger belang en met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Daarnaast moet Fedasil, om het recht op opvang aan de minderjarige te beperken of in te trekken in zijn beslissing motiveren dat er een risico bestaat op misbruik. Het beperken of weigeren van de opvang louter en alleen omdat er een eerder verzoek door de ouders werd ingediend is niet voldoende. Het is onduidelijk hoe Fedasil zal beoordelen of er sprake is van procedureel misbruik, aangezien het hiervoor inzage nodig heeft in het dossier van het CGVS en de DVZ, wat tot op heden niet het geval is.       

Schrappen van niet-toewijzing en opheffing

De Wet van 14 juli 2025 schrapt de oude artikels 11, §3 vierde lid en 13 van de Opvangwet. Deze artikels gaven Fedasil de mogelijkheid om geen opvangplaats toe te wijzen of op te heffen in geval van bijzondere omstandigheden. Doorheen de jaren publiceerde Fedasil instructies die verduidelijkten wat deze bijzondere omstandigheden inhouden. Dit gaat voornamelijk over medische kwetsbaarheden, eenheid van het gezin en verzadiging van het opvangnetwerk. Na een niet-toewijzing of opheffing kon de betrokken verzoeker steun aanvragen bij een OCMW. De wetgever wil met deze schrapping aan verzoekers om IB enkel materiële hulp voorzien zonder dat er in bijzondere omstandigheden bij niet-toewijzing of opheffing, beroep kan worden gedaan op financiële steun van het OCMW.

Artikel 28 en 35/1, tweede lid van de Opvangwet blijven wel behouden. Hierdoor blijft een opheffing van de code 207 wel mogelijk om medische redenen, op advies van de behandelende arts. Minister Van Bossuyt verklaarde tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Commissie Binnenlandse Zaken dat medische profielen geval per geval onderzocht zullen worden. Ook een opheffing omwille van het beschikken over professionele inkomsten blijft mogelijk, onder bepaalde voorwaarden. Lees daarover meer in ons nieuwsbericht ‘Bijdrageplicht asielzoekers in opvang met inkomsten: wijziging bedragen & controlebevoegdheid voor Fedasil’.

Deze wijziging van de Opvangwet verandert echter niets aan het recht op OCMW-steun voor verzoekers om internationale bescherming op zich. De organieke OCMW-wet is namelijk onveranderd gebleven. Verzoekers zonder code 207 hebben nog steeds recht op maatschappelijke dienstverlening van het OCMW.

Kritische bedenking

In haar advies stelt de Raad van State dat de schrapping van de niet-toewijzing en de opheffing geen probleem vormt zolang het aantal opvangplaatsen voldoende blijft om de toegang tot materiële hulp te garanderen. Vandaag slaagt Fedasil er evenwel niet in om aan alle verzoekers om IB materiële bijstand te verlenen. Lees hierover meer in ons dossier ‘Wettelijk kader en rechtspraak over gebrek aan opvang van asielzoekers met oneigenlijke code no show’. Zij krijgen in dat geval een oneigenlijke code 207 no show. De Raad stelt dat in deze situatie het schrappen van de niet-toewijzing en de opheffing ertoe zou leiden dat verzoekers minder juridische mogelijkheden hebben om materiële hulp te krijgen. De Raad van State stelt zich hierbij de vraag of dit wel in overeenstemming is met artikel 17 en 18 van de Opvangrichtlijn.

De redenering die bijvoorbeeld door het Arbeidshof van Luik werd gevolgd blijft wel toepasbaar: er is geen wettelijke basis voor Fedasil om deze ‘oneigenlijke no shows’ te geven omwille van de verzadiging van het opvangnetwerk. De rechtbank kan daarom de no show beslissing vernietigen (in plaats van Fedasil te veroordelen tot de opheffing ervan). Bijgevolg is er geen code 207 meer en is er wel recht op maatschappelijke dienstverlening van het OCMW.

Daarnaast stelt de Raad ook een mogelijke schending van het standstill-beginsel vast. De Opvangwet heeft namelijk als doel een menswaardig leven te waarborgen. Dit recht valt onder de bescherming van artikel 23 van de Grondwet. Om in overeenstemming te zijn met het standstill-beginsel moet de schrapping van de niet-toewijzing en opheffing een legitieme doelstelling nastreven en evenredig zijn met deze doelstelling. Volgens de Raad van State betekent de schrapping 'een aanzienlijke achteruitgang', waarvoor het wetsontwerp geen redelijke rechtvaardiging bevat. De Raad vraagt de wetgever om beter te motiveren of deze schrapping in overeenstemming is met de grondwettelijke, Europese en internationale verplichtingen. 

De wetgever heeft op dit punt in de MvT geantwoord. Er zou geen schending van het standstill-beginsel zijn, aangezien de materiële hulp gewaarborgd blijft. Daarnaast zal het geheel aan crisismaatregelen de druk op het opvangnetwerk verlagen, waardoor de toegang tot de materiële hulp gegarandeerd blijft. Daarnaast verklaarde minister Van Bossuyt tijdens de bespreking van het wetsontwerp in de Commissie Binnenlandse Zaken dat deze schrapping niet retroactief is. Dit betekent dat verzoekers die vóór de nieuwe wet OCMW-steun kregen op basis van een niet-toewijzing of opheffing, die steun blijven behouden. De vraag is of deze verantwoording voldoende is om tegemoet te komen aan de bezorgdheden van de Raad van State.

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen en Agentschap Integratie en Inburgering