GwH vernietigt schrapping van niet-toewijzing en opheffing code 207 in Opvangwet

In het kort

Het Grondwettelijk Hof vernietigt in arrest nr. 66/2026 van 21-5-2026 de schrapping in de Opvangwet van de mogelijkheid tot niet-toewijzing en opheffing van code 207. Volgens het Hof leidde die wetswijziging tot een ongerechtvaardigde achteruitgang van de bescherming van verzoekers om internationale bescherming, in strijd met artikel 23 van de Grondwet. Ook het recht op privé- en gezinsleven komt daardoor in het gedrang. Door het arrest krijgt Fedasil opnieuw een wettelijke basis in artikel 11 en 13 van de Opvangwet om in uitzonderlijke situaties af te wijken van materiële opvang in een centrum.

Achtergrond: wetswijziging van juli 2025

Op 14 juli 2025 wijzigde de wetgever de Opvangwet op verschillende punten. Zo schrapte hij de mogelijkheid voor Fedasil om een niet-toewijzing toe te kennen aan bepaalde verzoekers om internationale bescherming. Dat kon voordien enerzijds voor kwetsbare verzoekers voor wie geen aangepaste opvangplaats beschikbaar was, of voor verzoekers met sterke familiebanden in België. Anderzijds kon Fedasil ook op meer algemene basis een niet-toewijzing verlenen bij verzadiging van het opvangnetwerk. Daarnaast schrapte de wetswijziging ook de mogelijkheid voor verzoekers om de opheffing van hun code 207 te vragen. Fedasil kende die opheffing vooral toe aan dezelfde categorieën van kwetsbare verzoekers of verzoekers met familiebanden.

Verzoekers met een niet-toewijzing of opheffing konden op basis van de OCMW-wet financiële steun aanvragen bij het bevoegde OCMW. De mogelijkheid om de code 207 op te heffen speelde daarnaast een belangrijke rol voor verzoekers die een oneigenlijke code 207 no show kregen. Sinds 2022 hebben verschillende arbeidsrechtbanken Fedasil verplicht om die code 207 op te heffen wanneer het Agentschap niet tijdig een opvangplaats toewees. Zo wilden de arbeidsrechtbanken de menselijke waardigheid van de betrokken verzoeker waarborgen

Eerdere schorsing door Grondwettelijk Hof

In arrest nr. 23/2026 schorste het Grondwettelijk Hof deze wijzigingen. Volgens het Hof liepen de betrokken verzoekers door deze wetswijziging een risico op onherstelbare schade. In dat schorsingsarrest oordeelde het Hof dat er vermoedelijk sprake was van een schending van grondrechten. Na een schorsingsuitspraak moet het Grondwettelijk Hof binnen drie maanden uitspraak doen ten gronde.

Ontvankelijkheid 

De verzoekende partijen verklaarden dat zij door het tekort aan opvangplaatsen lange tijd op straat moesten verblijven. In die periode verbleven zij bij familieleden met een langdurig verblijf in België. Door de schrapping van de mogelijkheid van opheffing konden zij geen aanspraak meer maken op materiële hulp, behalve op medische terugbetalingen. Als het Hof de bestreden bepaling vernietigt, kunnen zij tijdens de behandeling van hun verzoek om internationale bescherming een financiële uitkering aanvragen. Het Grondwettelijk Hof verklaart dit middel daarom ontvankelijk.

Enkel opvang aanbieden mag, als toegang ertoe gegarandeerd blijft

Volgens het Grondwettelijk Hof valt het recht op materiële hulp uit de Opvangwet onder artikel 23 van de Grondwet, dat het recht op een menswaardig leven waarborgt en onder de standstill-verplichting. Die verplichting verbiedt dat de wetgever een bestaand wettelijke beschermingsniveau aanzienlijk vermindert, tenzij daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het Hof herneemt in dat verband de logica achter de niet-toewijzing en de opheffing. Het benadrukt dat de verzadiging van de opvangstructuren een bijzondere omstandigheid kan vormen die een niet-toewijzing rechtvaardigt.

Het Hof stelt vervolgens dat de Opvangrichtlijn de lidstaten enige vrijheid laat bij de invulling van materiële hulp voor verzoekers. Lidstaten mogen dus zelf kiezen of zij verzoekers opvangen in natura, via financiële uitkeringen of met tegoedbonnen. België kan er in principe voor kiezen om opvang uitsluitend in centra aan te bieden, als de wetgever dat passend acht om aankomsten van verzoekers te ontmoedigen.

Het Hof voegt daar wel een belangrijke kanttekening aan toe. Als door een tekort aan plaatsen geen opvangplaats beschikbaar is, of als de opvang niet is aangepast aan de situatie van de verzoeker en er geen alternatieve huisvesting of hulp bestaat, dan kan het recht op een menswaardig leven in het gedrang komen.

Aanzienlijke achteruitgang en niet redelijk verantwoord 

Door de schrapping van de mogelijkheid tot niet-toewijzing en opheffing zijn geen uitzonderingen meer mogelijk op opvang in opvangcentra. Volgens het Hof leidt dat tot een tweevoudige achteruitgang:

  • Minder bescherming voor verzoekers die door hun persoonlijke omstandigheden, zoals medische of veiligheidsredenen, geen opvang in een centrum kunnen krijgen. Daardoor kunnen zij geen menswaardig leven leiden.
  • Het recht op maatschappelijke hulp en behoorlijke huisvesting wordt ondermijnd, omdat alternatieven zoals financiële steun volledig uitgesloten zijn.

Wanneer geen passende opvang in een centrum mogelijk is, is de impact aanzienlijk. België kan die achteruitgang niet verantwoorden ook in het licht van zijn internationale verplichtingen. Daarom schenden de bestreden regels artikel 23 van de Grondwet.

Daarnaast schenden de bestreden bepalingen het recht op privé- en gezinsleven. Ze beletten de autoriteiten om in bijzondere gevallen financiële hulp te overwegen, zelfs wanneer dat noodzakelijk is om het recht op privé- en gezinsleven (artikel 22 Grondwet) te waarborgen.

Gevolgen voor de praktijk

Fedasil beschikt opnieuw over de mogelijkheid om in uitzonderlijke gevallen een niet-toewijzing te verlenen aan verzoekers om internationale bescherming. Daarnaast kunnen verzoekers opnieuw zelf een opheffing aanvragen op basis van de daarvoor geldende instructies. Artikelen 11, § 3, vierde lid (niet-toewijzing) en artikel 13 Opvangwet (opheffing) 'herleven' terug in hun versie zoals die bestond voor de wet van 14 juli 2025.

 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen