HvJ: asielaanvraag in tweede lidstaat na definitieve negatieve beslissing in eerste lidstaat, is volgend verzoek

In het kort

In de gevoegde zaken C-123/23 en C-202/23 voor het Europees Hof van Justitie (HvJ) dienden verzoekers in één lidstaat een eerste verzoek om internationale bescherming (VIB). Na een negatieve beslissing dienden ze een nieuw verzoek in in een tweede lidstaat. Hoewel dit laatste verzoek een eerste verzoek is in de tweede lidstaat, beschouwt het HvJ dit als een ‘volgend verzoek’ als er sprake is een definitieve negatieve beslissing in de eerste lidstaat. Dat kan zelfs als een andere lidstaat de definitieve negatieve beslissing nam. Dit betekent dat lidstaten in zulke situatie het volgend verzoek mogen behandelen via een ontvankelijkheidsprocedure.

VIB in Duitsland na definitieve negatieve beslissing in ander EU-land

In beide zaken ging het om een verzoek om internationale bescherming dat werd ingediend in Duitsland, na een definitieve negatieve beslissing te hebben ontvangen in België (Zaak C-123/23) en na een impliciete intrekking van het verzoek internationale bescherming (VIB) in Polen (Zaak C-202/23). Beide verzoeken werden niet-ontvankelijk verklaard op basis van het feit dat verzoeker al een finale negatieve beslissing kreeg in een veilig derde land ‘waarvoor bepalingen van [het Unierecht] inzake de verantwoordelijkheid voor de behandeling van asielverzoeken gelden’. 

De verwijzende rechter stelde de vraag of een verzoek in een tweede lidstaat als volgend verzoek kan beschouwd worden waar er sprake is van 1) een finale negatieve beslissing in de eerste lidstaat, en 2)  een impliciete intrekking. 

Het betreft de interpretatie van artikel 2 q van de procedurerichtlijn die volgende verzoeken definieert als:

‘een later verzoek om internationale bescherming dat wordt gedaan nadat een definitieve beslissing over een vorig verzoek is genomen, met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken en de gevallen waarin de beslissingsautoriteit een verzoek heeft afgewezen na de impliciete intrekking ervan […]’

Ontvankelijkheidsprocedure kan na definitieve negatieve beslissing andere lidstaat

Het Hof is van oordeel dat een tweede lidstaat een nieuw VIB kan beschouwen als een "volgend verzoek", nadat een eerste lidstaat al een definitieve negatieve beslissing nam.

Artikel 2, e), beschrijft ‘definitieve beslissing’ als “een beslissing waarbij wordt vastgesteld of aan de derdelander of staatloze de vluchtelingenstatus of subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat”.

Bijgevolg kan deze tweede lidstaat het verzoek niet-ontvankelijk verklaren als er geen nieuwe elementen of feiten zijn ingevolgde artikel 33, lid 2 Procedurerichtlijn, zelfs als het eerdere verzoek is afgewezen door een andere lidstaat. Hiervoor verwijst het Hof o.a. naar het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten en overweging 13 waaruit blijkt dat het doel van de ontvankelijkheidsprocedure voor volgende verzoeken het tegengaan van secundaire stromen van verzoekers om IB is. Volgens het HvJ kan dit er anders voor zorgen dat verzoekers tussen lidstaten reizen om elders een gunstiger beslissing te zoeken. 

Bij eerste ingetrokken VIB alleen volgend verzoek als heropening eerste verzoek niet kan

Lidstaten kunnen een nieuw verzoek van een persoon wiens eerder verzoek in een andere lidstaat impliciet werd ingetrokken, niet zomaar als een ‘volgend verzoek’ behandelen. Als de verzoeker het impliciet ingetrokken verzoek in de eerste lidstaat nog kan heropenen, is er nog geen sprake van een definitieve beslissing. Als de verzoeker het impliciet ingetrokken verzoek in de eerste lidstaat niet meer kan heropenen, is er wel sprake van een definitieve beslissing. In dat geval kan de tweede lidstaat dit nieuwe verzoek wel behandelen als een ‘volgend verzoek’. 

Artikel 28 beschrijft de procedure voor het impliciet intrekken van een verzoek. Als een verzoeker niet antwoordt op vragen om informatie, niet komt opdagen voor een persoonlijk onderhoud of verdwijnt kan de beslissingsautoriteit een verzoek impliciet intrekken. Vervolgens kunnen verzoekers tijdens een periode van minstens negen maanden na deze intrekking, de beslissingsautoriteit vragen om hun verzoek opnieuw te openen. Gebeurt dit niet, kan de beslissingsautoriteit het verzoek definitief afwijzen. Elk verzoek na deze afwijzing is een volgend verzoek.

In casu beschikte de verzoeker op het ogenblik van de niet-ontvankelijkheidsbeslissing van de Duitse instanties nog over de mogelijkheid om het verzoek in Polen te heropenen conform artikel 28, lid 2. Bijgevolg konden de Duitse instanties niet overgaan tot een niet-ontvankelijkheidsbeslissing conform artikel 33, lid 2, d).

Geen volgend verzoek bij eerste VIB in Denemarken

De Procedurerichtlijn is niet van toepassing op Denemarken zodanig dat een VIB gedaan in Denemarken geen verzoek van internationale bescherming is in de zin van artikel 2b Procedurerichtlijn. Men mag enkel een verzoek als volgend beschouwen wanneer er sprake was van een definitieve negatieve beslissing in een lidstaat waarop de Procedurerichtlijn van toepassing is.

 

Bericht van Vluchtelingenwerk Vlaanderen