Cassatie: geen veroordeling onwettig verblijf tijdens beroep 9ter zonder onderzoek gezondheidstoestand bij terugkeer

In het kort

In een arrest van 27-1-2026 oordeelde het Hof van Cassatie dat een strafrechtelijke veroordeling wegens onwettig verblijf op basis van artikel 75 Verblijfswet (Vw) niet gerechtvaardigd is wanneer de strafrechter niet naging of de beroepsprocedure over de afgewezen aanvraag medische regularisatie 9ter Vw argumenten bevatte of de uitvoering van de terugkeerbeslissing een ernstig risico op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de betrokkene kon meebrengen of die argumenten kennelijk ongegrond leken. 

Aanvraag medische regularisatie na KB tot terugwijzing

Op 6 juli 2016 werd ten aanzien van een derdelander een Koninklijk Besluit tot terugwijzing genomen.  De betrokken derdelander gaf geen gevolg aan dit terugkeerbesluit en verbleef verder zonder wettig verblijf in België.  

Op 17 juni 2019 diende hij een medische regularisatieaanvraag op basis van artikel 9ter Vw in. Deze aanvraag werd afgewezen door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en hij tekende hiertegen beroep aan bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (RvV). 

Tijdens de hangende regularisatieprocedure veroordeelde de correctionele rechtbank de derdelander wegens onwettig verblijf op grond van artikel 75 Vw en dit ook voor de periode tijdens dewelke zijn beroep hangende was bij de RvV. 

Betrokkene tekende beroep aan tegen dit vonnis, waarna het hof van beroep in Antwerpen in zijn arrest van 20 februari 2025 oordeelde dat het indienen van een medische regularisatieaanvraag en de daaropvolgende beroepsprocedure bij de RvV, geen afbreuk doet aan een onwettig verblijf op het grondgebied.  

Het Hof van Cassatie vernietigde bij arrest van 27 januari 2026 het arrest van het hof van beroep. De strafrechter had moeten nagaan of het beroep van de betrokken derdelander argumenten bevatte waaruit bleek dat de uitvoering van het terugkeerbesluit een ernstig risico zou kunnen inhouden op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand of die argumenten niet kennelijk ongegrond leken. 

Uitvoering terugkeerbesluit ernstig risico op ernstige en onomkeerbare verslechtering gezondheidstoestand?

In zijn cassatieberoep verwees de betrokkene naar diverse rechtspraak van het Hof van Justitie betreffende ernstig zieke derdelanders:  

Arrest Abdida

In het arrest Abdida stelde het Hof van Justitie dat de artikelen 15 en 13 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2 en 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 14, lid 1, sub b Terugkeerrichtlijn, zich verzetten tegen een nationale wetgeving die geen schorsende werking toekent aan een beroep tegen een terugkeerbesluit, wanneer de uitvoering van deze beslissing een ernstig risico inhoudt dat de gezondheidstoestand van een derdelander op ernstige en onomkeerbare wijze verslechtert. 

Volgens het Hof van Justitie is een beroep tegen een dergelijke beslissing alleen dan doeltreffend wanneer het over een schorsende werking beschikt om zo te waarborgen dat het terugkeerbesluit niet wordt uitgevoerd vooraleer de grief betreffende een schending van artikel 5 Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van artikel 19, lid 2 Handvest Grondrechten EU, door de bevoegde autoriteit is onderzocht. 

Arrest C-233/19

Het Hof van Justitie oordeelde in dit arrest dat de artikelen 5 en 13 Terugkeerrichtlijn, gelezen in het licht van de artikelen 19, lid 2 en 47 Handvest Grondrechten EU, in die zin moeten worden uitgelegd dat een nationale rechter die uitspraak moet doen in een geding inzake sociale bijstand waarvan de uitkomst afhangt van een eventuele schorsing van een terugkeerbesluit genomen t.a.v. een ernstig zieke derdelander, moet oordelen dat het schorsings- en annulatieberoep van rechtswege schorsend is, ook al volgt die schorsing niet uit de toepassing van de nationale wet, wanneer: 

  • het beroep argumenten bevat dat de uitvoering van het besluit een ernstig risico zou inhouden voor de betrokkene aangezien hierdoor zijn gezondheid op ernstige en onomkeerbare wijze zou kunnen verslechteren en deze argumenten niet kennelijk ongegrond lijken 
  • de nationale wetgeving niet voorziet in een andere beroepsmogelijkheid die van rechtswege het terugkeerbesluit schorst.

Beschikking C-641/20 

In beschikking C-641/20 van 5 mei 2021 stelde het Hof dat de artikelen 5 en 13 Terugkeerrichtlijn, gelezen in /het licht van de artikelen 19, lid 2 en 47 Handvest Grondrechten EU en artikel 14, lid 1, sub b Terugkeerrichtlijn, in die zin moeten worden uitgelegd dat ze zich verzetten tegen een nationale wetgeving die niet van rechtswege schorsende werking verleent aan een beroep tegen een terugkeerbesluit dat werd uitgevaardigd na de intrekking van de vluchtelingenstatus en geen recht opent op voorlopig verblijf tot over het beroep is beslist, in het uitzonderlijk geval waarin een ernstig zieke vreemdeling bij uitvoering van het besluit zou kunnen worden blootgesteld aan een ernstig risico dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze zou kunnen verslechteren. 

In deze context moet volgens het Hof van Justitie de nationale rechter oordelen dat het beroep van rechtswege schorsende werking heeft, zodra het beroep argumenten bevat dat de uitvoering van de beslissing voor die derdelander een ernstig risico zou kunnen meebrengen voor een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand en die argumenten niet kennelijk ongegrond lijken. 

Uit voorgaande rechtspraak blijkt aldus dat een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt en die beroep heeft aangetekend tegen een terugkeerbesluit waarvan de uitvoering voor hem een ernstig risico inhoudt dat zijn gezondheidstoestand op ernstige en onomkeerbare wijze zou verslechteren, tijdens deze beroepsprocedure niet onwettig verblijft en zijn gedrag bijgevolg niet strafbaar is volgens artikel 75 Vw. 

Dit is zo op voorwaarde dat zijn beroep argumenten bevat waarin wordt aangevoerd dat de uitvoering van het terugkeerbesluit een ernstig risico zou inhouden op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand en deze argumenten niet kennelijk ongegrond lijken. 

Besluit Hof van Cassatie

Het Hof van Cassatie volgt de redenering van de betrokkene en meent dat het Hof van Beroep diende na te gaan of zijn beroep bij de RvV tegen de weigering van de medische regularisatieaanvraag op basis van artikel 9ter Vw argumenten bevatte waaruit bleek dat de uitvoering van het terugkeerbesluit een ernstig risico voor hem zou kunnen inhouden op een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand of deze argumenten kennelijk ongegrond leken. 

Gezien de strafrechter dit niet deed, is het niet naar recht verantwoordt om te stellen dat verzoeker onwettig op het grondgebied verbleef en zijn gedrag strafbaar was op basis van artikel 75 Vw.