Overdracht
Overdrachtsbesluit en verantwoordelijkheidstermijnen
De Asiel- en migratiebeheerverordening (hierna: AMMR), onderdeel van het Migratie- en asielpact biedt regels om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen en een solidariteitsmechanisme tussen lidstaten over verzoeken om internationale bescherming (VIB). Het uitgangspunt blijft dat slechts één lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een VIB.
Zodra de DVZ een akkoord krijgt van een andere verantwoordelijke lidstaat, moet zij binnen 2 weken een overdrachtsbesluit nemen onder de vorm van een bijlage 26quater.
Vanaf de aanvaarding van het overnameverzoek of de bevestiging van de kennisgeving van terugname heeft de DVZ 6 maanden om de verzoeker over te dragen. Stelt de verzoeker een beroep met vraag naar schorsende werking in, dan begint die termijn pas te lopen vanaf de definitieve beslissing over dat beroep. Lukt de overdracht niet binnen 6 maanden, dan moet de onderzoekende lidstaat het verzoek om internationale bescherming zelf behandelen.
België kan deze overdrachtstermijn verlengen. AMMR bepaalt de gevallen waarin dat kan als de maximale duur van de verlenging:
- Is de betrokken persoon opgesloten in de gevangenis, dan kan de DVZ de termijn met één jaar verlengen.
- Duikt de betrokken persoon onder, verzet hij zich fysiek, maakt hij de overdracht opzettelijk onmogelijk of voldoet hij niet aan de medische vereisten, dan kan de DVZ de termijn met drie jaar verlengen.
Van onderduiken is sprake wanneer een betrokkene niet beschikbaar blijft voor de bevoegde administratieve of gerechtelijke autoriteiten, bijvoorbeeld door
- het grondgebied van een lidstaat te verlaten zonder toestemming van de bevoegde autoriteiten, om redenen die niet buiten de controle van die persoon vallen;
- niet te melden dat men afwezig is uit een bepaald opvangcentrum of een aangewezen verblijfplaats, als een lidstaat dat vereist; of
- niet te verschijnen voor de bevoegde autoriteiten, als die dat vereisen.
Tijdens de lopende overdrachtstermijn verblijft de verzoeker onwettig in België en moet hij zich begeven naar de verantwoordelijke lidstaat. Vanaf de afgifte van het overdrachtsbesluit kan Fedasil de opvang bovendien beperken om die terugkeer naar de verantwoordelijke lidstaat te stimuleren. In de praktijk kan de verzoeker gebruik maken van een Dublinplaats mits er meegewerkt wordt aan de overdracht of een vrijwillige terugkeer.
Beroepsmogelijkheden
Je hebt 10 dagen tijd om beroep aan te tekenen tegen het overdrachtsbesluit (bijlage 26quater). Er is geen mogelijkheid om beroep in te stellen tegen een verlenging van de overdrachtstermijn.
De termijn om een overdrachtsbesluit aan te vechten bedraagt 10 dagen. Binnen die termijn kunnen verzoekers een vordering tot schorsing indienen. De rechter moet daarover binnen één maand uitspraak doen.
Dient de verzoeker een vordering tot schorsing in, dan begint de overdrachtstermijn van 6 maanden pas te lopen:
- na de afwijzing van de schorsingsvordering; of
- vanaf de uitspraak ten gronde, als de schorsingsvordering wordt toegekend.
AMMR beperkt de draagwijdte van een beroep tegen een overdrachtsbesluit tot:
- Een mogelijke schending van artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten van de EU
- Mogelijke omstandigheden van na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van AMMR
- Mogelijke inbreuken tegen de criteria voor minderjarigen, gezinsleden en afhankelijke personen in geval van een overnameprocedure