Samenvatting
B.8.1. Volgens artikel 92, § 3, van de Vlaamse Wooncode moet de huurder elke wijziging van personen die de sociale huurwoning op duurzame wijze betrekken, onmiddellijk melden aan de verhuurder. Het niet-naleven van die verplichting wordt door artikel 98, § 3, als een ernstige tekortkoming beschouwd die kan leiden tot de beëindiging van de huurovereenkomst.
B.8.2. De echtgenoot of partner van de referentiehuurder, die na het aangaan van de huurovereenkomst op duurzame wijze met hem wil samenwonen in de sociale woning, wordt als sociale huurder beschouwd en dient te voldoen aan de toelatingsvoorwaarden bepaald in artikel 95, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode, met uitzondering van de inkomensvoorwaarde. Die partner dient dus, evenals de referentiehuurder, onder meer te zijn ingeschreven in het bevolkingsregister of het vreemdelingenregister.
B.9. Vreemdelingen die zijn ingeschreven in het wachtregister voldoen niet aan de toelatingsvoorwaarden voor een sociale woning en kunnen niet toetreden tot een bestaande huurovereenkomst voor een dergelijke woning. In het wachtregister worden de vreemdelingen ingeschreven die een erkenning als vluchteling hebben aangevraagd, maar ten aanzien van wie nog geen beslissing werd genomen. Aldus staat niet vast of hun een verblijfsvergunning zal kunnen worden verleend. Indien dat niet het geval is, zal hun verblijfssituatie niet langer wettig zijn en zullen zij het grondgebied dienen te verlaten.
B.10. Volgens de Vlaamse Regering streeft de in het geding zijnde maatregel een tweevoudige doelstelling na. In de eerste plaats strekt hij ertoe de schaarse overheidsmiddelen op het vlak van sociale huisvesting op een rechtvaardige wijze te verdelen. In de tweede plaats zou hij beogen het beleid van de Vlaamse overheid inzake de toegang tot de sociale huisvesting af te stemmen op het federale verblijfsbeleid.
B.11.1. De terbeschikkingstelling van een sociale woning betekent voor de huurder een belangrijk financieel voordeel, bekostigd met publieke middelen, dat bestaat uit het genot van een woonst tegen een huurprijs die lager ligt dan de marktprijs. Bij het verlenen van sociale voordelen aan vreemdelingen mag de decreetgever rekening houden met de aard van hun verblijfsstatuut en met de duurzaamheid van hun verblijf.
B.11.2. In het licht van de tweede doelstelling is het een pertinente maatregel om vreemdelingen slechts de mogelijkheid te geven om zich in te schrijven voor een sociale woning of om toegelaten te worden tot een dergelijke woning als sociale huurder en de huurovereenkomst te ondertekenen, wanneer na een beslissing van de federale overheid vaststaat dat zij op duurzame wijze wettig op het grondgebied zullen kunnen verblijven.
B.11.3. Het is derhalve niet zonder redelijke verantwoording dat een vreemdeling die de partner is van een huurder van een sociale woning en die na de aanvang van de huurovereenkomst de woning permanent wil bewonen, eveneens moet zijn ingeschreven in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister vooraleer hij kan toetreden tot een sociale huurovereenkomst.
B.12. Volgens de verwijzende rechter moeten de in het geding zijnde bepalingen zo worden geïnterpreteerd dat in het geval van een permanente bijwoonst, de betrokkene steeds moet toetreden tot de lopende huurovereenkomst en derhalve moet voldoen aan de voorwaarden bepaald in artikel 95, § 1, van de Vlaamse Wooncode. Hij besluit daaruit dat de partner van de sociale huurder, die een duurzame relatie met die laatste heeft, doch die niet aan die voorwaarden voldoet, niet in de sociale huurwoning kan samenwonen met de initiële referentiehuurder, wat zou leiden tot het verschil in behandeling waarover het Hof wordt ondervraagd.
B.13.1. Uit de totstandkoming van de in het geding zijnde bepaling blijkt dat de decreetgever een onderscheid heeft willen maken tussen, enerzijds, een permanent samenwonen in een sociale woning, waarvoor de in artikel 95, § 1, eerste lid, van de Vlaamse Wooncode bepaalde voorwaarden gelden, en, anderzijds, een tijdelijke of occasionele bijwoonst, waarvoor die voorwaarden niet gelden.
B.13.2. De in artikel 95, § 1, van de Vlaamse Wooncode vermelde vereisten gelden voor wie op permanente wijze als huurder de sociale woning wil betrekken. Tijdelijke verblijven, zoals bijvoorbeeld het inwonen van iemand met een zorgfunctie of tijdelijke logies van familie of vrienden, worden niet onderworpen aan de toelatingsvoorwaarden van de Vlaamse Wooncode (Parl. St., Vlaams Parlement, 2005-2006, nr. 824/1, pp. 8-9). Betwistingen over de aard van de bijwoonst kunnen worden voorgelegd aan de bevoegde instanties, onder controle van de rechter.
B.14. De inschrijving van een asielzoeker in het wachtregister voor vreemdelingen is een situatie die noodzakelijkerwijze tijdelijk van aard is, aangezien zij na onderzoek van de asielaanvraag zal worden gevolgd door een inschrijving in het vreemdelingenregister of door een bevel om het grondgebied te verlaten. Vermits tijdens de inschrijving in het wachtregister nog niet vaststaat of de betrokken vreemdeling een verblijfsvergunning zal krijgen, kan niet ervan worden uitgegaan dat hij permanent in de huurwoning van zijn partner zal kunnen verblijven.
B.15. Artikel 2, § 1, eerste lid, 34°, van de Vlaamse Wooncode tast het recht op eerbiediging van het gezinsleven en het recht op huisvesting op onevenredige wijze aan indien het zo wordt geïnterpreteerd dat een asielzoeker die verblijft in de sociale huurwoning van zijn partner, met wie hij een duurzame relatie heeft, in afwachting van een beslissing over zijn asielaanvraag, wordt beschouwd als een sociale huurder die de huurwoning op permanente wijze bewoont en daardoor is onderworpen aan de voorwaarden bepaald in artikel 95, § 1, eerste en tweede lid, van de Vlaamse Wooncode.
B.16. Weliswaar dient het Hof op het vlak van het huisvestingsbeleid het oordeel van de gewestwetgevers betreffende het algemeen belang te eerbiedigen, tenzij dat oordeel kennelijk onredelijk is (arrest nr. 33/2007, B.5.3; arrest nr. 62/2007, B.5.3; arrest nr. 155/2007, B.6; arrest nr. 64/2015, B.6), maar die beoordelingsvrijheid is minder ruim wanneer dat huisvestingsbeleid voor een bepaalde categorie van personen het verlies van hun woonst kan teweegbrengen, hetgeen immers als één van de meest verregaande inmengingen in het recht op eerbiediging van de woning wordt beschouwd (arrest nr. 101/2008, B.23.3; arrest nr. 64/2015, B.21.2; EHRM, 13 mei 2008, McCann t. Verenigd Koninkrijk, § 50).
B.17. De in het geding zijnde bepalingen kunnen ook zo worden geïnterpreteerd dat het verblijf van een asielzoeker in de sociale woning van zijn partner met wie hij een duurzame relatie heeft, in afwachting van de beslissing over zijn asielaanvraag en uiterlijk tot die beslissing, wordt beschouwd als een tijdelijke bijwoonst die niet onderworpen is aan de toelatingsvereisten bepaald in artikel 95, § 1, eerste en tweede lid, van de Vlaamse Wooncode. Aldus is die bijwoonst rechtmatig en kan zij geen aanleiding zijn voor de opzegging van de huurovereenkomst.
Na een positieve beslissing over de asielaanvraag zal de betrokken vreemdeling worden ingeschreven in het vreemdelingenregister en kan hij op permanente wijze met zijn partner in de sociale huurwoning verblijven en tot de huurovereenkomst toetreden, mits hij ook voldoet aan de andere voorwaarden bedoeld in artikel 95, § 1, eerste en tweede lid, van de Vlaamse Wooncode.
In geen geval zou evenwel van een rechtmatige bijwoonst sprake kunnen zijn, wanneer de betrokken vreemdeling, na een negatieve beslissing over zijn asielaanvraag, niet langer wettig op het grondgebied verblijft. De bijwoonst in de sociale woning, gedurende het onderzoek van de asielaanvraag, mag evenmin het federale asielbeleid doorkruisen. Bij betwisting komt het aan de bevoegde overheid toe, onder controle van de rechter, om te beoordelen of de bijwoonst rechtmatig is.
B.18. In de in B.17 vermelde interpretatie zijn de in het geding zijnde bepalingen niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 23 van de Grondwet.