Samenvatting
De eiser verzoekt het Hof het Grondwettelijk Hof drie prejudiciële vragen te stellen. Krachtens artikel 5.3 van het EVRM heeft een ieder die is gearresteerd of gedetineerd, overeenkomstig lid 1.f van dit artikel, het recht binnen een redelijke termijn berecht te worden of hangende het proces in vrijheid te worden gesteld. Deze bepaling van het Verdrag heeft rechtstreekse werking in de nationale rechtsorde en voorrang boven de regel van artikel 26 § 2 van de Bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof. Het recht van de eiser op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn, dat gewaarborgd wordt door de voormelde bepaling van het Verdrag, zou te dezen in het gedrang komen indien aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag werd gesteld. Het verzoek moet bijgevolg worden verworpen.