Samenvatting
De vraag in deze zaak betreft de geldigheid van Griekse interministeriële besluiten waarin Turkije wordt aangemerkt als een "veilig derde land" in de zin van artikel 38 van richtlijn 2013/32 voor bepaalde categorieën van verzoekers om internationale bescherming, namelijk degenen uit Syrië, Afghanistan, Pakistan, Bangladesh en Somalië. De verzoekers betogen dat deze besluiten in strijd zijn met het Europees recht, omdat Turkije sinds maart 2020 de heropname van asielzoekers heeft opgeschort en daarmee niet voldoet aan de vereisten voor de kwalificatie als veilig derde land. Turkije heeft echter in een overeenkomst met de EU zich ertoe verbonden om verzoekers die reeds hebben verbleven op of zijn doorgereisd via het grondgebied van Turkije opnieuw over te nemen op verzoek van een lidstaat.
Het Hof benadrukt dat een land pas gekwalificeerd kan worden als een “veilig derde land”, indien het beantwoordt aan de cumulatieve voorwaarden opgenomen in lid 1 tot en met 4 van artikel 38 van richtlijn 2013/32. De Griekse verwijzende rechter had reeds geoordeeld dat Turkije deze voorwaarden in acht nam, bijgevolg buigt het Hof zich hier niet meer over. Verder oordeelt het Hof dat dit artikel het mogelijk maakt voor een lidstaat om bij wijze van algemene strekking een land te kwalificeren als een “veilig derde land”, in casu deed Griekenland dit aan de hand van de interministeriële besluiten. Het voegt hier aan toe dat de kwalificatie van een derde land als veilig bij wijze van algemene strekking niet afhankelijk is van de voorwaarde dat verzoekers effectief ook (terug) worden toegelaten tot hun grondgebied. Het Hof wijst er derhalve op dat de opschorting van de wedertoelatingen door Turkije, hoewel problematisch, niet automatisch betekent dat Turkije niet langer als veilig kan worden beschouwd.
Het Hof benadrukt verder dat de lidstaten moeten waarborgen dat asielzoekers die niet worden heropgenomen door het derde land toegang hebben tot nationale asielprocedures. Dit impliceert dat de asielaanvraag inhoudelijk moet worden behandeld, zelfs als een land als veilig derde land wordt aangemerkt, als vaststaat dat het derde land de wedertoelating in de praktijk weigert.,
Het Hof concludeert dat lidstaten over een beoordelingsmarge beschikken bij het aanwijzen van “veilige derde landen”, zolang de voorwaarden opgenomen in artikel 38 maar worden gerespecteerd en er voorzien wordt dat de aanvraag inhoudelijk onderzocht zal worden als het “veilige derde land” de wedertoelating weigert. De bepaling verzet zich dus niet tegen de algemene kwalificatie van een bepaald derde land als “veilig”, ook al heeft dit land de toelating of wedertoelating van verzoekers op hun grondgebied opgeschorst voor een onbepaalde termijn.