Samenvatting
Op 18 december 2025 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJ) uitspraak gedaan in de zaak Alaa Hamoudi tegen het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex). De zaak betrof een vordering tot niet-contractuele aansprakelijkheid ingesteld door een Syrische migrant die stelde dat hij bij zijn aankomst op het Griekse eiland Samos het slachtoffer was geworden van pushbacks naar Turkse wateren, in het kader van grensbewakingsoperaties waarbij Frontex betrokken was. Volgens verzoeker had Frontex zijn verplichtingen inzake de eerbiediging van fundamentele rechten geschonden door onvoldoende toezicht te houden op deze operaties.
Het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht) wees de vordering af wegens onvoldoende bewijs van zowel de aanwezigheid van verzoeker bij de beweerde pushback als van de geleden schade. Het HvJ oordeelde evenwel dat het Gerecht een te hoge bewijslast had opgelegd. In situaties waarin vermeende schendingen van fundamentele rechten plaatsvinden in een operationele context aan de buitengrenzen, kan van verzoekers niet worden verwacht dat zij volledig bewijs leveren, zeker wanneer relevante informatie zich uitsluitend bij het agentschap bevindt.
Het HvJ benadrukte dat geloofwaardig prima facie-bewijs volstaat om een volledige rechterlijke toetsing te rechtvaardigen. Voorts vereist het recht op doeltreffende rechtsbescherming, gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest) dat verzoekers toegang kunnen krijgen tot relevante informatie waarover Frontex beschikt, zodat zij hun vordering effectief kunnen onderbouwen. Het HvJ benadrukte verder dat een zaak niet voortijdig mag worden afgewezen wanneer er voldoende geloofwaardige aanwijzingen bestaan voor mogelijke schendingen van fundamentele rechten, ook indien een deel van het bewijs moeilijk toegankelijk is wegens de operationele aard van Frontex. In dat geval moet de rechter een daadwerkelijke en volledige toetsing van de relevante feiten en rechtsvragen verrichten in het licht van het recht op effectieve rechterlijke bescherming.
Hoewel het arrest geen definitieve uitspraak doet over de aansprakelijkheid van Frontex in casu, verduidelijkt het dat het agentschap onder het Unierecht aansprakelijk kan worden gesteld voor schendingen van fundamentele rechten, zowel voor eigen handelingen als voor tekortschietend toezicht op operaties waarbij het betrokken is.