Samenvatting
HG, een Syrisch staatsburger, beschikte in Nederland over een subsidiaire beschermingsstatus. Na een strafrechtelijke veroordeling wegens poging tot doodslag werd hij aangemerkt als een gevaar voor de openbare orde. De minister trok zijn status in op grond van de richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: de Kwalificatierichtlijn). Hoewel zijn verblijf hiermee illegaal werd, stond vast dat HG vanwege de situatie in Syrië niet gedwongen kon worden uitgezet wegens het absolute risico op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM (non-refoulement). De rechtbank Den Haag vroeg het HvJ of onder deze omstandigheden toch een terugkeerbesluit moest worden uitgevaardigd.
De verwijzende rechter vroeg het HvJ of artikel 6, lid 1, van richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven (hierna: de Terugkeerrichtlijn) eraan in de weg staat dan wel vereist dat een terugkeerbesluit wordt vastgesteld ten aanzien van een derdelander wiens beschermingsstatus is ingetrokken, wanneer reeds vaststaat dat verwijdering naar het land van bestemming wegens het beginsel van non-refoulement definitief onmogelijk is.
Het HvJ stelt voorop dat de Terugkeerrichtlijn weliswaar als doel heeft om effectieve procedures voor de terugkeer van illegaal verblijvende vreemdelingen vast te stellen, maar dat lidstaten bij elke fase van de procedure gebonden zijn aan de grondrechten. Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn verplicht lidstaten om bij de tenuitvoerlegging van de richtlijn het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Daarbij kent het HvJ bijzondere betekenis toe aan artikel 19, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: het Handvest), waarin het verbod op verwijdering naar een staat waar een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bestaat is verankerd. Wanneer de bevoegde nationale autoriteit al in de fase voorafgaand aan de besluitvorming definitief heeft vastgesteld dat de verwijdering naar het beoogde land van bestemming onmogelijk is wegens dit absolute verbod, kan het doel van de terugkeerprocedure, namelijk de daadwerkelijke voorbereiding van terugkeer, niet worden verwezenlijkt.
Het HvJ oordeelt dat het in zo’n situatie uitvaardigen van een formeel terugkeerbesluit, dat per definitie een verplichting tot vertrek inhoudt, haaks staat op de vaststelling dat de vreemdeling niet mag worden uitgezet. Het Unierecht verplicht lidstaten niet tot het nemen van administratieve rechtshandelingen die materieel onuitvoerbaar zijn en die de vreemdeling in een onaanvaardbare staat van rechtsonzekerheid brengen.
Artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, gelezen samen met artikel 19, lid 2 van het Handvest, moet aldus worden geïnterpreteerd dat het zich verzet tegen de vaststelling van een terugkeerbesluit ten aanzien van een derdelander wiens subsidiaire beschermingsstatus is ingetrokken, wanneer vaststaat dat de verwijdering van die derdelander naar het beoogde land van bestemming op grond van het beginsel van non-refoulement uitgesloten is.
Dit arrest verduidelijkt de grenzen van de verplichting tot het nemen van een terugkeerbesluit wanneer verwijdering wegens het non-refoulementbeginsel uitgesloten is. Nu het Unierecht verbiedt om een formele vertrekplicht vast te stellen als feitelijke verwijdering wegens non-refoulement definitief is uitgesloten, dwingt dit de Nederlandse wetgever tot reflectie over een houdbare verblijfsstatus voor deze groep.