Samenvatting
In zaak C-460/23 beantwoordde het Hof een vraag over de uitlegging van Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 tot omschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf en artikel 52, lid 1 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest). De vraag werd gesteld in het kader van een strafprocedure die tegen OB werd ingeleid voor de Italiaanse rechter in eerste aanleg Bologna. De vrouw meldde zich samen met haar dochter en nichtje, die beiden minderjarig zijn en over wie zij het ouderlijk gezag had, met valse paspoorten aan in de luchthaven van Bologna. Ze verzocht om internationale bescherming voor haarzelf en de twee minderjarigen onder haar gezag, maar werd wegens hulp bij onwettige binnenkomst en het bezit van valse identiteitsdocumenten vervolgd, wat strafbaar is onder artikel 12 van de Italiaanse Immigratiewet.
De verwijzende rechter stelde echter vast dat deze bepaling in strijd kon zijn met het evenredigheidsbeginsel van het EU-Handvest. Daarom stelde hij de vraag aan het Hof of artikel 1, lid 1, a) van Richtlijn 2002/90 de gedragingen van de vrouw die, vergezeld door twee minderjarigen, onwettig het grondgebied betreedt, strafbaar stelt.
Het Hof oordeelde dat dit niet het geval is. Ten eerste vloeit deze handeling voort uit het feit dat die persoon de persoonlijke verantwoordelijkheid voor die minderjarigen draagt uit hoofde van het gezag dat zij over hen uitoefent.
Ten tweede moet deze bepaling in het licht van artikelen 7 en 24 van het Handvest worden uitgelegd. De gedragingen van een persoon die minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk het gezag uitoefent op onwettige wijze het grondgebied van een lidstaat binnenbrengt, kan daarom niet onder het algemene strafbare feit van hulpverlening bij onwettige binnenkomst vallen, ook niet wanneer deze persoon dat grondgebied zelf ook onwettig is binnengekomen. Het omgekeerde zou een schending van het recht op familie- en gezinsleven en de rechten van het kind inhouden.
Vervolgens herinnert het Hof eraan dat deze bepaling moet worden uitgelegd in het licht van artikel 18 van het Handvest, die het recht op asiel garandeert met inachtneming van de voorschriften van het Verdrag van Genève en overeenkomstig het VEU en het VWEU. Artikel 31 van het Verdrag van Genève verbiedt om strafsancties toe te passen op vluchtelingen die zonder toestemming het grondgebied binnenkomen. Ook artikel 3, b) van de Schengengrenscode beschermt de rechten van vluchtelingen en personen die om internationale bescherming verzoeken.
Tot slot verwijst het Hof ook naar het Protocol van Palermo inzake migrantensmokkel, in het licht waarvan Richtlijn 2002/90/EG moet worden gelezen. Dit protocol heeft namelijk tot doel om het smokkelen van migranten strafbaar te stellen, terwijl het tegelijkertijd de rechten van de migranten zelf wil beschermen.
Om deze redenen bepaalt het Hof dat de gedraging van een persoon die, in strijd met de grensoverschrijdingsregels, minderjarige derdelanders die hem vergezellen en over wie hij feitelijk gezag uitoefent, een lidstaat binnenbrengt, niet onder het algemene strafbare feit van hulp bij onwettige binnenkomst in de zin van artikel 1, lid 1, a) van Richtlijn 2002/90 valt.