Samenvatting
De zaak vloeit voort uit een prejudiciële verwijzing door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Nederland). Aanleiding is de bestuursrechtelijke praktijk waarbij de Nederlandse immigratieautoriteiten de wettelijke beslistermijn in asielprocedures stelselmatig en opeenvolgend verlengden. De staatssecretaris motiveerde deze verlengingen met een beroep op een aanhoudend hoge instroom van derdelanders, in combinatie met een chronisch tekort aan verwerkingscapaciteit binnen de verantwoordelijke diensten.
De verwijzende rechter wenste in wezen te vernemen of, en onder welke voorwaarden, artikel 31 van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: de Asielprocedurerichtlijn) toestaat dat de administratieve beslistermijn bij herhaling wordt verlengd wanneer de vertraging hoofdzakelijk te wijten is aan structurele organisatorische tekortkomingen van de lidstaat.
Het Hof van Justitie (hierna: het HvJ) herinnert eraan dat de Asielprocedurerichtlijn beoogt te voorzien in snelle en effectieve procedures voor de toekenning of intrekking van internationale bescherming. Hoewel artikel 31, lid 3, onder b, van de Asielprocedurerichtlijn de lidstaten de mogelijkheid biedt om de algemene termijn van zes maanden tijdelijk te overschrijden in geval van een groot aantal gelijktijdige asielaanvragen, stelt het HvJ hier strikte grenzen aan.
Het HvJ legt hierbij een expliciet verband met de positieve verplichting die op grond van artikel 4, lid 1, van de Asielprocedurerichtlijn op de lidstaten rust. Deze bepaling vereist dat lidstaten er proactief zorg voor dragen dat de met de beoordeling van aanvragen belaste instanties over de nodige materiële middelen en voldoende gekwalificeerd personeel beschikken om hun taken conform de wettelijke termijnen te voltooien.
Bijgevolg overweegt het HvJ dat opeenvolgende verlengingen slechts onder strikte voorwaarden zijn toegestaan. De lidstaat moet aantonen dat hij, ondanks reële inspanningen om de instroom op te vangen, objectief te weinig tijd heeft gehad om de autoriteiten van passende middelen te voorzien. Bovendien mag de gecumuleerde duur van de opeenvolgende verlengingen de tijd die nodig is om aan die verplichting te voldoen niet overschrijden, en mag deze in geen geval de absolute grens van 21 maanden vanaf de indiening van de asielaanvraag overschrijden. Structurele en voorzienbare tekortkomingen mogen niet onbeperkt via verlengingsbesluiten op de verzoeker worden afgewenteld.
Dit arrest stelt een duidelijke rechtsstatelijke grens aan het herhaaldelijk verlengen van asielprocedures door lidstaten die kampen met een overbelast opvang- en asielsysteem. Het arrest onderstreept dat lidstaten op grond van artikel 4, lid 1, van de Asielprocedurerichtlijn gehouden zijn hun beslissingsautoriteiten zodanig uit te rusten dat de wettelijke beslistermijnen in beginsel kunnen worden nageleefd. Voor de vreemdelingenrechtelijke praktijk biedt dit arrest verzoekers een sterker juridisch aanknopingspunt om op te komen tegen het uitblijven van een tijdige beslissing, aangezien algemene verwijzingen naar werkdruk of capaciteitsproblemen op zichzelf geen onbeperkte verlenging van de beslistermijn kunnen rechtvaardigen.