Samenvatting
Zeven asielzoekers dienden bij aankomst op Brussels Airport een verzoek om internationale bescherming in. De Belgische autoriteiten behandelden de aanvragen in de grensprocedure en plaatsten hen in grensdetentie. Hoewel deze centra geografisch in het binnenland liggen, worden asielzoekers daar via een juridische fictie geacht het grondgebied nog niet te hebben betreden. Door administratieve vertragingen werd de wettelijke maximale termijn van vier weken voor de grensprocedure overschreden, terwijl de asielzoekers in detentie bleven. De Belgische rechter vroeg het HvJ enerzijds of een grensprocedure rechtsgeldig kan worden gevoerd in detentiecentra die geografisch op het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, en anderzijds welke gevolgen verbonden zijn aan de overschrijding van de maximale termijn van vier weken.
De verwijzende rechter wenste in essentie te vernemen of artikel 43 van de Asielprocedurerichtlijn en artikel 8 van de richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming (hierna: de Opvangrichtlijn), toestaan dat een grensprocedure wordt gevoerd in detentiecentra in het binnenland, en welke gevolgen voortvloeien uit de overschrijding van de maximale termijn van vier weken waarbinnen die procedure moet worden afgerond.
Het HvJ behandelt deze vragen afzonderlijk. In de eerste plaats oordeelt het dat het Unierecht toestaat dat een grensprocedure plaatsvindt in centra die geografisch binnen het grondgebied van een lidstaat zijn gelegen, mits de verzoekers daar effectief gescheiden blijven van de rest van het nationale grondgebied en alle Unierechtelijke waarborgen inzake opvang en bewaring worden nageleefd. In de tweede plaats benadrukt het HvJ dat de termijn van vier weken in artikel 43, lid 2, van de Asielprocedurerichtlijn een dwingende maximumtermijn vormt. Zodra deze termijn is verstreken zonder een definitieve beslissing, verliest de lidstaat de bevoegdheid om de aanvraag verder in de grensprocedure te behandelen. Als gevolg daarvan kan de bewaring niet langer op die procedure worden gebaseerd en moet de aanvraag worden voortgezet in de gewone asielprocedure.
Artikel 43 van de Asielprocedurerichtlijn moet aldus worden geïnterpreteerd dat het zich niet verzet tegen een grensprocedure in centra in het binnenland waar de verzoeker het grondgebied feitelijk niet mag betreden, maar zich wel verzet tegen de voortzetting van deze procedure en de daarop gebaseerde bewaring zodra de maximale termijn van vier weken is verstreken. De lidstaat is dan verplicht de verzoeker toegang tot het grondgebied te verlenen en de aanvraag via de reguliere procedure te behandelen.
Dit arrest verduidelijkt de grenzen van de juridische fictie dat een verzoeker om internationale bescherming het grondgebied nog niet heeft betreden. Het HvJ oordeelt dat de vierwekentermijn voor een grensprocedure strikt dwingend is, waarna de opvang en bewaring niet langer automatisch op die fictie gebaseerd kunnen zijn. Hiermee stelt het HvJ de rechtsbescherming en het recht op vrijheid van verzoekers centraal tegenover de fictie van niet-toegang.