Samenvatting
Op 18 december 2025 deed de Grote Kamer van het HvJ uitspraak in de zaak WS en WT en WY en WZ en YA en YB tegen het Europees Grens- en kustwachtagentschap (Frontex). De zaak betrof een vordering tot niet-contractuele aansprakelijkheid ingesteld door een gezin dat stelde dat het tijdens een gezamenlijke terugkeeroperatie in Griekenland onrechtmatig naar Turkije was teruggestuurd. Volgens verzoekers vond de terugkeer plaats zonder een rechtsgeldig en individueel uitvoerbaar terugkeerbesluit en in strijd met het beginsel van non-refoulement en andere door het Unierecht gewaarborgde fundamentele rechten.
Het Gerecht wees de schadevordering af. Het oordeelde onder meer dat de verantwoordelijkheid voor de vaststelling en uitvoering van terugkeerbesluiten primair bij de lidstaten ligt en dat Frontex in het kader van gezamenlijke operaties geen beslissingsbevoegdheid uitoefent ten aanzien van individuele terugkeermaatregelen. Bij gebrek aan een rechtstreeks toerekenbare handeling van Frontex achtte het Gerecht de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid niet vervuld.
Het HvJ volgde deze redenering niet. Het benadrukte dat het feit dat de lidstaten de primaire bevoegdheid inzake terugkeer behouden, niet impliceert dat Frontex geen eigen verplichtingen draagt in het kader van gezamenlijke operaties. Op grond van de toepasselijke Frontex-verordening en het Handvest rust op het agentschap een autonome verantwoordelijkheid om binnen de grenzen van zijn mandaat toe te zien op de eerbiediging van fundamentele rechten tijdens operaties waaraan het deelneemt. Die verantwoordelijkheid impliceert dat Frontex binnen de grenzen van zijn mandaat toeziet op de operationele uitvoering in overeenstemming met het Unierecht, waaronder het non-refoulementbeginsel.
Het HvJ oordeelde dat het Gerecht had nagelaten deze autonome verplichtingen van Frontex daadwerkelijk te onderzoeken en evenmin afdoende had beoordeeld of er een causaal verband kon bestaan tussen een eventuele tekortkoming van het agentschap en de door verzoekers gestelde schade. Het bestreden arrest werd daarom vernietigd en de zaak terugverwezen naar het Gerecht voor een grondige herbeoordeling van zowel de gestelde onrechtmatigheid als de aansprakelijkheidsvoorwaarden.
Met dit arrest verduidelijkt het HvJ dat EU-agentschappen die deelnemen aan gezamenlijke terugkeer- en grensoperaties niet louter een coördinerende of ondersteunende rol vervullen, maar onder het Unierecht een eigen, justitiabel te toetsen verantwoordelijkheid dragen voor de bescherming van fundamentele rechten. Het arrest versterkt daarmee de mogelijkheden om Frontex aansprakelijk te stellen in het kader van operaties waarbij mogelijke schendingen van fundamentele rechten aan de orde zijn.