Samenvatting
In zaak T 590/23 heeft het Gerecht van de Europese Unie (hierna: het Gerecht) uitspraak gedaan over het recht van burgers op toegang tot documenten van de instellingen van de Unie en de toepassing van de uitzondering ter bescherming van het besluitvormingsproces, zoals vervat in artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 betreffende de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie.
Emilio De Capitani had de Raad van de Europese Unie verzocht om toegang tot een reeks interne documenten, waaronder zogenaamde “WK documenten” van het Secretariaat-Generaal, die interne standpunten, nota’s en voorlopige teksten bevatten in het kader van onderhandelingen over voorstellen uit het Pact inzake Migratie en Asiel. Deze documenten betroffen onder meer de Verordening (EU) 2024/1351 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende asiel- en migratiebeheer, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2021/1147 en (EU) 2021/1060 en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Hierna: de Verordening asiel- en migratiebeheer) en de Verordening (EU) 2024/1358 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 betreffende de instelling van “Eurodac” voor de vergelijking van biometrische gegevens om de Verordeningen (EU) 2024/1351 en (EU) 2024/1350 van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijn 2001/55/EG van de Raad doeltreffend toe te passen en om illegaal verblijvende onderdanen van derde landen en staatlozen te identificeren en betreffende verzoeken van rechtshandhavingsinstanties van de lidstaten en Europol om vergelijkingen van Eurodac-gegevens ten behoeve van rechtshandhaving, tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2018/1240 en (EU) 2019/818 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 603/2013 van het Europees Parlement en de Raad (hierna: de Eurodacverordening). De Raad weigerde volledige toegang, stellende dat openbaarmaking het besluitvormingsproces zou schaden, de onderhandelingsruimte van de lidstaten zou beperken en het bereiken van een compromis zou bemoeilijken.
Het Gerecht bevestigde dat documenten die zijn opgesteld in het kader van wetgevingsprocedures in beginsel onder een verhoogde transparantieverplichting vallen, voortvloeiend uit artikel 15 VWEU en het democratische beginsel dat burgers het wetgevingsproces van de Unie moeten kunnen volgen en begrijpen. De uitzondering van artikel 4, lid 3, moet restrictief en strikt worden toegepast; een beroep daarop vereist dat de instelling concreet aantoont dat openbaarmaking een reëel en redelijkerwijs voorzienbaar risico van ernstige aantasting van het besluitvormingsproces oplevert. Het Gerecht oordeelde dat algemene of abstracte argumenten, zoals gevoeligheid van het onderwerp of het feit dat onderhandelingen nog gaande waren, onvoldoende zijn. Voor elk document had de Raad afzonderlijk moeten motiveren waarom openbaarmaking daadwerkelijk schadelijk zou zijn. Tevens stelde het Gerecht dat het inherent is aan wetgevingsprocedures dat documenten interne standpunten of voorlopige teksten bevatten; dit vormt op zichzelf geen grond om toegang te weigeren.
Het onderdeel van het beroep dat betrekking had op de niet-registratie van bepaalde documenten in het openbare register werd niet-ontvankelijk verklaard, aangezien een loutere omissie geen afzonderlijke, expliciete en voor beroep vatbare handeling vormt in de zin van artikel 263 VWEU. Het Gerecht verklaarde het besluit van de Raad gedeeltelijk nietig, voor zover toegang tot documenten zonder voldoende en concrete motivering was geweigerd. Het arrest onderstreept het belang van transparantie bij wetgevingsprocedures, met name op het terrein van migratie en asiel, en bevestigt dat uitzonderingen op toegang tot documenten strikt, concreet en individueel moeten worden onderbouwd.