Raad van State - 15.757 - 15-02-2024

Samenvatting

In het bestreden arrest wordt vastgesteld, hetgeen niet wordt betwist, dat verzoeker op 10 november 2022 een aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) heeft ingediend en dat deze aanvraag met de beslissing van 2 mei 2023, die tot het bestreden arrest heeft geleid, niet ontvankelijk is verklaard bij gebrek aan betaling van de in artikel 1/1 van de vreemdelingenwet bedoelde retributie. Evenmin wordt de vaststelling betwist dat de beslissing van 22 mei 2023 is genomen door een attaché van de dienst Vreemdelingenzaken.

Uit artikel 1/1 van de vreemdelingenwet volgt dat de vreemdeling bij het indienen van een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van die wet “op straffe van niet-ontvankelijkheid” een retributie moet betalen die de administratieve kosten dekt.

Artikel 6, § 1, van het ministerieel besluit van 18 maart 2009 ‘houdende delegatie van bepaalde bevoegdheden van de Minister die bevoegd is voor de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en tot opheffing van het ministerieel besluit van 17 mei 1995 houdende delegatie van bevoegdheid van de Minister inzake de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ bepaalt dat aan de personeelsleden van de dienst Vreemdelingenzaken die minimaal een functie van attaché uitoefenen of tot de A1-klasse behoren delegatie van bevoegdheid wordt verleend voor de toepassing van (onder meer) artikel 9bis van de vreemdelingenwet. Noch in deze laatste bepaling noch in artikel 9bis van de vreemdelingenwet wordt enig onderscheid gemaakt naargelang de reden waarom een op basis van het voornoemde artikel 9bis ingediende aanvraag niet ontvankelijk wordt verklaard.

Bijgevolg heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze geoordeeld dat een attaché van de dienst Vreemdelingenzaken bevoegd was om de beslissing van 22 mei 2023 te nemen en verzoekers met toepassing van artikel 9bis van de vreemdelingenwet ingediende aanvraag om machtiging tot verblijf niet ontvankelijk te verklaren.

Het eerste middel is kennelijk ongegrond.

Verzoeker acht artikel 149 van de Grondwet geschonden omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet zou hebben geantwoord op zijn kritiek dat artikel 668, d), van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat rechtsbijstand onder dezelfde voorwaarden kan worden toegekend aan vreemdelingen in de procedures waarin is voorzien in de vreemdelingenwet en waaronder een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet zou vallen.

De in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepaling wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.

De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat op grond van artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek rechtsbijstand kan worden toegekend voor al dan niet buitengerechtelijke rechtsplegingen, dat een verzoek om toekenning van een verblijfsvoordeel geen rechtspleging betreft maar een eenzijdig en vrijwillig ingediende aanvraag bij een administratieve overheid om een recht toe te kennen en dat de in artikel 1/1, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet bedoelde retributie dient om de kosten voor de administratieve verwerking van de aanvraag te dekken doch geen verband houdt met de in artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek vermelde kosten. Hij geeft hiermee aan dat geen rechtsbijstand kan worden toegekend voor de administratieve behandeling van een aanvraag om machtiging tot verblijf omdat deze niet onder de toepassing valt van de in artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde rechtsplegingen of buitengerechtelijke rechtsplegingen. Hieruit blijkt waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers kritiek niet aanvaardt, zonder dat hij nog moet ingaan op artikel 668 van het Gerechtelijk Wetboek, dat enkel aangeeft in welke gevallen ook vreemdelingen aanspraak kunnen maken op rechtsbijstand, zoals deze overeenkomstig artikel 667 van het Gerechtelijk Wetboek wordt verleend aan personen van Belgische nationaliteit.

Naar luid van artikel 1 van het Gerechtelijk Wetboek regelt dit wetboek “de organisatie van de hoven en rechtbanken, de bevoegdheid en de rechtspleging”. Artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de in dit wetboek gestelde regels van toepassing zijn op “alle rechtsplegingen”.

In het bestreden arrest wordt derhalve op wettige wijze geoordeeld dat het indienen van een aanvraag bij een orgaan van actief bestuur geen rechtspleging betreft in de zin van artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek. Derhalve wordt in het bestreden arrest ook zonder schending van artikel 664 van het Gerechtelijk Wetboek geoordeeld dat de in artikel 1/1, § 1, eerste lid van de vreemdelingenwet bedoelde retributie bij het indienen van een verzoek om machtiging tot verblijf bij een administratieve overheid geen betrekking heeft op een “rechtspleging” en dus geen verband houdt met de in het voornoemde artikel 664 bedoelde kosten. Om dezelfde reden kan ook geen sprake zijn van een schending van artikel 668 van het Gerechtelijk Wetboek.

Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.

Meer info