Samenvatting
Uit het voorgaande volgt dat in het kader van een nieuwe procedure voor internationale bescherming na een eerdere erkenning als vluchteling in een andere lidstaat, in casu Griekenland, en waarbij de nieuwe aanvraag niet onontvankelijk kan worden verklaard omdat die verzoeker in die andere lidstaat een ernstig risico loopt dat hij wordt onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling, de verwerende partij overeenkomstig de richtlijnen 2011/95 en 2013/32 het verzoek opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken moet onderzoeken. Er moet ten volle rekening worden gehouden met de erkenningbeslissing in de andere lidstaat, in casu Griekenland, en met de elementen die deze beslissing ondersteunen.
Uit de geciteerde passage van het bestreden arrest blijkt dat enkel in het feitenrelaas van de verwerende partij verwezen wordt naar de eerdere erkenning. Daaruit blijkt niet dat rekening is gehouden met de elementen die deze beslissing ondersteunen. Bovendien blijkt niet uit het arrest noch uit enig ander stuk uit het rechtsplegingsdossier dat informatie is uitgewisseld met de bevoegde autoriteit van Griekenland, de verwerende partij zijn standpunt heeft meegedeeld over het nieuwe verzoek en Griekenland heeft verzocht om binnen een redelijke termijn de informatie mee te delen waarover het beschikt die tot de toekenning van deze status heeft geleid. Hieruit volgt dat niet “ten volle” rekening is gehouden met de eerdere erkenningsbeslissing in Griekenland en met de elementen die deze beslissing ondersteunen. De verwerende partij kon hierdoor de verificaties die in het kader van de internationale beschermingsprocedure van haar worden verlangd niet met volledige kennis van zaken uitvoeren.
Door in de gegeven omstandigheden te oordelen “dat de commissaris-generaal wel degelijk rekening heeft gehouden met het gegeven dat eerste verzoeker in Griekenland erkend werd als vluchteling” schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beginsel van wederzijds vertrouwen.