Raad van State - 267.364 - 8-07-2026

Samenvatting

Bij arrest van 8 juli 2026 schorst de Raad van State de beslissing van de Minister van Asiel en Migratie om geen opvang toe te kennen aan personen met een bescherming in een andere lidstaat (de zogenaamde M-status), om de reden dat hun verzoek als “volgend verzoek” moet worden gezien.

De Minister had gecommuniceerd dat sinds de inwerkingtreding op 12 juni 2026 van de Verordening (EU) 2024/1348 (Asielprocedureverordening, hierna APR) als een volgende aanvraag moet worden beschouwd, en dat Fedasil het recht op materiële opvang daarom voor deze groep zal beperken op grond van artikel 4, §1, 3° van de Opvangwet van 12 januari 2007.

De Raad stelt dat een samenhangende interpretatie van de APR-Verordening en Verordening 2024/1351 (AMMR) vereist dat er nog steeds een onderscheid is tussen enerzijds “volgende verzoeker” en anderzijds “aanvragen ingediend in een tweede lidstaat nadat reeds bescherming werd verleend in een eerste lidstaat”.

De Raad noemt twee argumenten:

Artikel 38, lid 2 APR verplicht de lidstaten om aanvragen zonder nieuwe relevante elementen niet-ontvankelijk te verklaren, terwijl artikel 38, lid 1 APR alleen voorziet in de mogelijkheid om voor personen die reeds bescherming genieten in een andere lidstaat het CGVS bevoegd te maken tot een beslissing van niet-ontvankelijkheid. Het gaat dus om twee onderscheiden regelingen.

Daarnaast stelt volgens de Raad artikel 68, lid 2 APR dat tegen een beslissing van niet-ontvankelijkheid een schorsend beroep moet open staan tegen personen met een M-Status, en dat dit beroep niet automatisch schorsend is bij beslissingen van niet-ontvankelijkheid van een gewoon volgend verzoek (artikel 86, lid 3 APR). Volgens de Raad van State impliceert het recht om op het grondgebied te blijven dat deze personen ook recht hebben op de materiële opvang die noodzakelijk is om een menswaardig bestaan te leiden overeenkomstig artikel 3 van de Opvangwet van 12 januari 2007. Op dit punt lijkt er wel een probleem te zijn met de redenering van de partijen en de Raad. Het genoemde onderscheid stond in de oorspronkelijke tekst van de APR-Verordening, maar die werd nog voor de inwerkingtreding ervan gewijzigd door Verordening (EU) 2026/463 van 24 februari 2026.  In de gewijzigde tekst van de verordening is dit onderscheid niet meer terug te vinden. 

De Raad ging niet in op de andere verschillen die verzoekende partij had aangegeven tussen beide soorten verzoeken: 

  • beperking op het recht om te blijven tijdens het onderzoek (art. 10, lid 4 en 56 APR);
  • mogelijkheid van schriftelijke verklaring in plaats van persoonlijk onderhoud (art. 13, lid 11 APR);
  • beperkingen op gratis juridische bijstand (art. 16, lid 3 APR);
  • mogelijkheid om verzoeker zelf te laten instaan voor de vertaling van documenten (art. 34, lid 4 APR);
  • mogelijkheid van behandeling bij voorrang (art. 34, lid 5 APR) een versnelde behandeling (art. 42, lid 1 APR);
  • versnelde behandeling ten gronde van het VIB van een niet-begeleide minderjarige (art. 42, lid 3, c) APR).

De Raad stelt wel dat, als aanvragen van personen die reeds bescherming genieten in een andere lidstaat werkelijk als volgende aanvragen moesten worden beschouwd, “het onverklaarbaar zou zijn waarom de Europese wetgever in artikel 38 uitdrukkelijk twee afzonderlijke niet-ontvankelijkheidsregelingen heeft ingevoerd”. Dat maakt dat, door de twee soorten verzoeken gelijk te stellen, “een betekenis gegeven wordt aan de artikelen 3, punt 19, en 55, §2, van Verordening 2024/1348 en aan artikel 4, §1, 3° van de Opvangwet die deze bepalingen niet hebben”.

Uit de definitie van artikel 3, punt 19 ('verzoek ingediend na definitieve beslissing in andere lidstaat') kan op zich niet afgeleid worden dat hiermee, naast de volgende verzoeken (bedoeld in artikel 38, lid 2 APR en lid 55 APR), die expliciet in die artikels ook volgende verzoeken worden genoemd, ook de verzoeken bedoeld worden van mensen met bescherming in een andere lidstaat, die apart geregeld worden door artikel 38, lid 1, c) APR.

De Raad van State oordeelt voorlopig dat een asielaanvraag van iemand die reeds internationale bescherming heeft gekregen in een andere EU-lidstaat niet automatisch als een "volgende aanvraag" kan worden beschouwd. Daardoor kan Fedasil zich niet zonder meer beroepen op de regels die toelaten de materiële opvang van aanvragers van een volgende aanvraag te beperken of in te trekken. Het onderscheid dat de Europese wetgeving maakt tussen beide categorieën moet worden gerespecteerd.

Om te vermijden dat in afwachting van een beslissing ten gronde, aan personen toch de noodzakelijke opvang geweigerd zou worden, schorst de Raad voorlopig de beslissing van de Minister.