Samenvatting
In een eerste middel wordt de schending ingeroepen van de artikelen 39/78 en 39/69, § I, 4° Vreemdelingenwet. Volgens de verzoekende partij zou de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het beroep van de verwerende partij gegrond hebben verklaard op grond van een middel dat niet in het verzoekschrift, maar wel in de memorie van wederantwoord was ingeroepen en dat daarom niet ontvankelijk was. Daardoor zou' ook het recht van verdediging van de verzoekende partij zijn geschonden, omdat zij niet meer kon repliceren op dit nieuwe element. Uit de stukken waarop de Raad van State vermag acht te slaan blijkt niet dat de verwerende partij, die kennis had van de memorie van wederantwoord, ter terechtzitting enig voorbehoud heeft gemaakt. Het middel is nieuw en bijgevolg niet ontvankelijk. Bovendien blijkt uit het bestreden arrest dat het zogenaamde nieuwe middel betrekking heeft op een bevoegdheidsoverschrijding van de ambtenaar van de verwerende partij. Dit raakt de openbare orde en een middel dat daarop betrekking heeft kan in elke stand van het geding voor de bodemrechter worden opgeworpen.